Excuusbiertje en een bilnaad

Het was donderdag 14 oktober 2021 en het mocht weer. Ik stond die avond in het Paard (dat al lang niet meer van Troje was) in Den Haag. We hadden nog bescherming door een QR-code en het was erg vol. Ik liep helemaal naar boven tot het tweede balkon, omdat ik dacht de drukte te kunnen ontwijken. Ook daar stonden de mensen echter rijen dik. Hoewel deze mensenmassa me in een bepaalde mate opwond, koos ik ervoor om met een excuusbiertje tegen de muur geleund te gaan staan.

Op het podium stond Ilse de Lange. Haar concert was twee keer uitgesteld en mijn vrienden hadden inmiddels andere afspraken. Tijdens de opleving tussen twee golven was het namelijk ineens intens druk geworden. Het enige voordeel van Corona, namelijk de afname van verplichtingen, was na twee dagen al weer verdwenen.

Op de rij voor mij stonden houten bankjes. Mensen gingen hier op staan om Ilse goed te zien en ik moest tussen hen door kijken. Ik voelde mij die avond zoals die kleine mensjes die altijd mopperend achter mij stonden bij concerten. Voor me bevond zich een vrouw van midden vijftig. Bij haar was de onderbroek blijkbaar in de bilnaad geschoten en ze trok hem er met een gedecideerde vingerbeweging weer uit. Hoewel de muziek luid was en ik gehoorbescherming in had, hoorde ik de string kletsen tegen haar huid.

Ilse was een paar nummers onderweg en het gevoel overviel me dat ik ook heb als ik in Almelo, de stad van mijn jeugd, ben. Haar muziek zit erg goed in elkaar, maar het is allemaal vreselijk braaf. Het mist het randje en de directheid die voor mij muziek interessant maakt. Ik hou niet van dat subtiele, maar bij Ilse is alles is netjes, correct, doordacht en gebalanceerd.

Nou wil ik niet zeggen dat Almelo gebalanceerd is (daarvoor is het stedenbouwkundig te veel mishandeld), maar veel Almeloërs doen wel hun best om gebalanceerd over te komen. In Twente vertellen mensen pas de waarheid als ze dronken zijn. Nu ik in de Randstad woon ben ik de directheid (met al zijn nadelen) gaan waarderen. Als je iets op je lever hebt: zeg het dan gewoon.

Ondanks dat het concert van Ilse de Lange me tegenviel, mis ik toch het gevoel om naïef in de dampende massa op te gaan. Ik kan me nog herinneren dat ik niet zo lang geleden (ja dat is het dus wel, maar dat vergeten we even) in hetzelfde Paard op de muziek van Franz Ferdinand dwars door de massa aan het springen was. Niets 1,5 meter. Niets omicron en spuitjes. Wat een tijd is dat toch. Laten we er snel weer naar terugkeren.

Pest en humor

Ik ga voor het eerst sinds de ziekte rondwaart weer echt naar buiten. Het is niet eens een noodzakelijk reis, ik ga een vriendin ontmoeten die ik al maanden niet heb gezien. We hebben een museum uitgezocht in Nijmegen. Ik moet vanaf de Noordzeekust het land door, maar ik vind het niet erg om in beweging te zijn: we staan al te lang stil.

‘Ik geef nu les in humor’, zegt ze en ik moet lachen. Ik denk dat ze goed is in die les. We zijn precies op tijd voor het tijdslot van 10.45 dat we online hebben gereserveerd. 

‘Mag ik uw museumjaarkaart?’ vraagt de jongen achter de balie. Ik denk dat we de enigen in dit tijdslot zijn, of dat er rond deze tijd nooit iemand betaalt voor een kaartje. Of misschien hebben ze wel de foto van onze kaart via mijn online aanmelding opgevraagd en nu levensgroot op het scherm van de jongen in het museum gezet. Ik had een foto met een clownsneus moeten maken, dan had ik aan de lach van de jongen kunnen zien of hij mijn kaart in beeld heeft. 

‘De pest is de trap op naar boven,’ zegt de jongen vriendelijk. Op de trap staan grote stickers waarop staat dat we door de ziekte die rondwaart rechts moeten lopen. Of links. Het is niet helemaal duidelijk. Ik hou wel 1,5 meter afstand van mijn vriendin, we zijn op dat moment nog niet geprikt. 

We zien veel kunst over de pest. En veel over dat mensen zich wisten te redden door een hele groep heiligen een rol te geven. Bij de ziekte die nu rondwaart proberen we vooral mensen af te zeiken die er iets aan proberen te doen. In Nederland houden we niet zo van mensen die ergens verstand van hebben. We zullen zien, misschien werkt afzeiken beter dat ophemelen.

Geef mij maar chloor

Er was eens een trein in het oosten van het land. Ik stapte in en dacht al: ‘Oei. Het zijn wel veel mensen.’ Maar wanneer is veel, te veel? De spits was net voorbij, dus het zal voor mensen met een bepaalde kaart bij de NS wel gunstig zijn, dacht ik.

Toen we wegreden drong het tot me door dat de trein echt helemaal vol was. Ik stond met mijn mondkapje tegen het raam geperst en tuurde naar de schone buitenlucht. Er kwam een trein langsrijden met de naam “Relus ter Beek” en ik was niet eens in Drenthe. Om me heen stonden studenten. Ik bedacht me dat die groep maar voor twintig procent was ingeënt. Het was die groep die leefde bij de gratie van het warme contact met de medemens. Zij hadden de mooiste tijd van hun leven nog voor zich en ik had twee prikken in mijn arm. Maar ik las ook ergens dat dit goedje steeds minder werkt als het ding langer in je arm zit. De trein voelde vies als een natuurzwembad aan het einde van een warme zomer. Geef mij maar chloor.

De conducteur zei sorry en vroeg mensen om toch echt hun tas van de stoelen te halen. Net als vroeger, maar toen was die tas nog lullig en geen lijfsbehoud. De twintigers om me heen zuchtten. Ze vroegen aan elkaar: gaan die mensen er de volgende halte uit of wachten ze op een zitplek? Ik had geen idee. Ik wist wel dat ik een boek mee had en bij de volgende stop zou uitstappen. En ik las nog lang en gelukkig.

Onethisch staren

Het moet een curieus gezicht zijn geweest. Zover ik mij herinner was het in de binnenstad van Leiden, maar pin me er niet op vast. Ter verdediging wil ik aanvoeren dat ik in die tijd al meer dan een jaar geen vers getapt biertje had geproefd, dus het waren zware tijden. We leerden in die tijd dat de beperkingen waarbinnen we leefden ervoor zorgden dat we meer begrip voor elkaars positie op gingen brengen. Ik hoop dat die tolerantie ons ook na de Corona-periode verder zal helpen en mijn fout in perspectief zal plaatsen.

Maar laten we snel naar de kern van mijn fout, of het misverstand, gaan. Het was me nooit om haar ongetwijfeld interessante bovenlichaam te doen. Ik weet dat ik die indruk gewekt kan hebben door gênant en onethisch lang naar haar gestaard te hebben. Ze was echter enkel decor. Het ging me om de vers getapte Guinness voor haar neus. Mijn blik stond daar scherp op gesteld. De scherptediepte was minimaal en de belichting leek eeuwig te duren. Ik slurpte onhandig het losgekomen speeksel op en liep door. Ze was vast te verrast om boos te worden. Ik heb geen moment getwijfeld om ook op een terras te gaan zitten. Ik was daar te schijterig voor.

Ik heb spijt van de indruk die ik gewekt heb. Ik ben niet zo’n man. Het ging me echt om het biertje. Laat ik eerlijk zijn: op straat zou ik haar niet meer herkennen, de Guinness wel.


Gedroogde koriander

Er was eens een dag dat we, na maanden van rust door een pandemie waarin geld er minder toe leek te doen voor mensen in loondienst, weer een muntje in de winkelwagen bij de supermarkt moesten doen. Dat was toeval, het had ook zo kunnen zijn dat ik de dag erop naar de supermarkt had moeten gaan. Vaak ging ik niet meer naar de supermarkt, omdat het een risico was. De aanleiding dit keer was dat de gedroogde koriander op was en dat we hem diezelfde avond nodig hadden.

Als ik met mijn wagen bij het kruidenschap aankom zie ik hem direct: de gedroogde koriander. En dat terwijl de bakjes allemaal zo vreselijk uniform zijn als ze in het schap staan, en zo vreselijk onhandig van vorm als ze thuis in de lade liggen. Alsof ze onderweg een transformatie ondergaan.

Nou zijn mijn ervaringen bij het kruidenschap normaliter van een totaal andere orde. Normaal kan je hier alles krijgen, behalve dat wat je nodig hebt. De Action in het klein zullen we maar zeggen. Het effect is ook dat ik regelmatig met een bakje Italiaanse kruiden (of Provençaalse kruiden) de winkel uitloop terwijl ik weet dat we het echt nog thuis hebben, alsof ik het gevoel van falen wil afkopen wat gedroogd groen. Wat de waxinelichthouders zijn bij de Ikea, zijn de kruiden in de supermarkt.

Dit keer ging het dus in een keer goed. Ik was er vreselijk blij mee en zette het potje thuis tevreden in onze kruidenlade. Hij past niet, dus ik moet er wel even op slaan om het in vorm te krijgen, maar dat is niet anders. 

Wat ik inmiddels wel was vergeten is voor welk gerecht we de koriander nodig hadden. Maar niet alles kan in een keer goed gaan.

Dag dag

De man rookt en houdt de telefoon iets van zijn oor af. Het is een noorderling: uit zijn gezichtsuitdrukking kan ik al dagen weinig opmaken. Zijn drie dochters spelen bij het zwembad. De man woont deze week met zijn drie dochters in het appartement naast ons. Het is vakantie en te warm, zelfs in het Sauerland.

Hij rookt haastig en roept: ‘Jongens! Wil een van jullie moeder spreken? Ze kan praten.’

De kleinste (een jaar of vijf) komt aanlopen. Even later loopt ze met de telefoon aan haar oor langs het zwembad. Ze glimlacht soms. De man kijkt voor zich uit en probeert contact te maken. Ik blijf in mijn boek kijken, vandaag heb ik geen zin om met mensen te praten die om een praatje verlegen zitten.

Na vijf minuten maakt de man een armbeweging en het kind loopt terug. Ze zegt ‘dag dag’ en geeft de telefoon aan vader. 

De man luistert twee sigaretten lang naar de telefoon, zijn ogen kijken uit over het dal. Dan kucht hij en zegt: ‘Nee, zo hadden wij het dus niet afgesproken. Maar ik moet door.’ Hij drukt op de telefoon en laat hem in zijn broekzak glijden.

‘Nog vijf minuten, dan gaan we pommes eten’ roept hij naar het zwembad.

Landingsbanen


Een van de caissières in mijn supermarkt was er een tijdje niet. Ik had er niet bij stilgestaan: er waren wel vaker caissières een tijdje weg. Maar aan de kassa dacht ik wel: ‘Jou heb ik een tijdje niet gezien.’
Toen ze me aankeek voor de bon (en niet de kooppunten) schrok ik. Haar wenkbrauwen waren weg en vervangen door strakke strepen die me deden denken aan landingsbanen van een vliegveld. Het was raar en het leek te ontkennen dat een lichaam rond is. Een mens is meer rond dan vierkant, maar toch willen we huizen in rijtjes zetten, en kamers vierkant maken. Dan kunnen we de mensen makkelijker op elkaar stapelen.
Deze caissière deed met daarmee meer aan een robot denken. Ik vond van mezelf dat ik maar slecht met deze verandering om kon gaan, ik zou daarin toleranter moeten zijn.

Wachten met bakjes

Plaats van handeling: IKEA. Tijd van handeling: een zaterdagochtend. Oorzaak van deze rampzalige planning: daar gaat het nu niet om. Reden: een matras dat niet voor twee personen, maar voor een had moeten zijn.

Ik sta al een half uur in de rij voor de servicebalie een verstandige anderhalve meter afstand te bewaken, als ik zie dat ik een QR-code had kunnen scannen, om sneller toegang te krijgen tot een speciale balie voor retouren. Ik denk “kut” want omdraaien zit er nu niet meer in: alle bewegingsruimte wordt ingenomen door hygiënemaatregelen. 

Voor me staat een vrouw met vier bakjes en een lelijke gloeilamp. Ze moppert als enige tijd dat het lang duurt. Ik hou van mensen die klagen, het draagt bij aan de humor in de wereld. Aan mensen die zaken goed kunnen relativeren heb je verhaaltechnisch geen zak. Ze wordt steeds bozer en ongeduldiger. Na een uur komt de vrouw eindelijk aan de voorkant van de rij aan. Dit is echter de langzame rij, met de moeilijke gevallen, voor mensen die geen QR-codes kunnen scannen. Bij de balie staat een minuut of tien een man. De blauw-gele personen die de klant proberen te helpen fronsen vaak.

Vanuit mijn ooghoek komt een oude vrouw traag aanlopen. Aan haar zijde loopt een blauw-gele medewerker van de IKEA. Ik denk direct: dit wordt lachen, eindelijk wordt het patroon van traag voortbewegende klanten verstoort. Voorpret is de helft van het plezier. Op het moment dat de moeilijk casus is afgerond stapt de IKEA-medewerker naar voren, de oude vrouw in haar kielzog. De vrouw draait zich om en gaat met haar rug tegen het plexiglas op de balie staan. Ze kijkt verdrietig. Voor mij springt de vrouw met de bakjes hinderlijk heen en weer in het beeld. Ze steekt vinnig haar vinger in de lucht. Ik vermoed dat ze vroeger op school niet vaak genoeg een beurt heeft gehad. Er loopt een medewerker langs die meer blauw en minder geel heeft dan de rest. De bakjesmevrouw vertelt woedend haar verhaal. Iedereen staat hier namelijk lang te wachten. In tijden van Corona wordt de grootste egocentrist een oprechte communist. In deze wachtrij moeten we zorgen dat het leed eerlijk wordt gedeeld. De IKEA-medewerker is empathisch goed opgeleid en zegt in mooie woorden dat het op zaterdag inderdaad vaak druk is. 

Ik sta achter haar te gniffelen om deze  klucht. De ouderdom van de vrouw aan de balie is overtuigend. Het theater verkort de mentale wachttijd en na ongeveer tien minuten mag de vrouw haar bakjes en die gloeilamp teruggeven. Even hoop ik dat die lamp op het laatste moment op de tegels kapot valt, maar ze is snel klaar, de IKEA-jongen wijst haar op de QR-code. Ik zie hoe ze rimpels diep in haar gezicht kerft als ze het gebouw uitloopt. Ik moet een half uur later nog glimlachen.

Is corona vooruitgang?

In een normale wereld is het een teken van vooruitgang als mensen constant de regels ter discussie stellen. Was dit in het verleden niet gedaan, dan hadden we nu geen vrouwenkiesrecht of een homohuwelijk. Vooruitgang en verbetering van de beschaving kan niet zonder het ter discussie stellen van de status quo. Dit moet doorgaan, zeker in een land dat al jaren ten onder gaat aan nieuwe burgerlijkheid en vertrutting.

En dan komt corona. Er wordt een moreel beroep gedaan op onze eigen verantwoordelijkheid. We moeten thuis blijven zitten, opa en oma met rust laten en voor vrijgezellen geldt het celibaat. Mensen met hooikoorts gaan polsbandjes dragen vanwege de niesschaamte. Je hebt mensen die krampachtig afstand houden. Je hebt mensen die zich er geen reet van aantrekken. Ondertussen hebben steeds meer BOA’s hun handen er vol aan. Er worden meer dan duizenden pittige bekeuringen uitgeschreven. Zouden dat allemaal hufters zijn? Het op 1,45 meter van een ander lopen is asociaal geworden. Net zo asociaal als de vrouw vroeger was toen ze haar huishoudelijke taken verzaakte? Of is het een regel die boven alles verheven is vanwege onze volksgezondheid?

Het voelt allemaal erg ongemakkelijk. Misschien voelt het zo als je land in oorlog is? Ik heb er geen oordeel over, maar mensen zijn bang voor iets dat ze niet onder controle hebben en iedereen gaat hier op een andere manier mee om. Het gevoel dat we in ons bestaan bedreigt wordt is nieuw voor bijna iedereen die nu in Nederland woont. Is degene die voorzichtig doet de held? Of juist diegene die als eerste zijn huis uit komt? En wat geldt dan voor mensen die anderen er op wijzen dat ze niet voorzichtig genoeg zijn?

Natuurlijk blijf ik rustig, maar ik vind ook dat we kritisch naar onszelf moeten kijken. Natuurlijk is het nu nodig, al is het maar omdat de democratisch door ons gekozen volksvertegenwoordiging er mee instemt, maar de vraag is voor hoe lang. Ik hoop wel dat het snel voorbij is. Dat we snel weer zelf over ons leven mogen gaan en dat we niet voor eeuwig opgescheept zitten met een overdosis aan handhaving en controle. Mijn vrijheid is mij veel waard, misschien in zekere mate wel meer dan de volksgezondheid.

De hygiëne en de warmte

Ik mis mijn afkeer van overdreven hygiëne, mijn haat voor mensen die al het leven plat slaan door het te desinfecteren. Ik mis de tijd waarin ik een aanraking van een vreemde niet erg maar soms zelfs aangenaam vond. Ik voel gene, als ik met iemand praat en twijfel of mijn druppels misschien naar die ander overspringen.
Ik mis de zinloze borrels, die als doel hebben om een team te smeden, maar vooral om mensen te zien. Ik mis mijn team, omdat we enkel elkaar nog spreken als hier een inhoudelijke aanleiding voor is. Alle onzin is verdwenen, maar de kern van het leven is juist dat het zo mooi onzinnig is.
Ik haat die anderhalve meter. Ik haat het dat we niet de ruimte mogen betreden waarin normaliter de spanning tussen mensen ontstaat. Afstand isoleert als het plastic om de elektriciteitskabel. Ik wil dichterbij komen: of het nu is om iemand te ruiken, of om zonder vooraf bedachte route een trein te verlaten of om een vluchtige zoen te geven. Het kan niet meer en de spanning zakt uit de wereld weg.
Dan zeggen mensen dat het verstandig is, want voor de ouderen, dus houdt afstand. We zien dat het uitmaakt in het totaal en zien de statistieken. We kunnen meten dat het werkt, dus het werkt en het is het dus waard. We hebben het gered. En ondertussen voelen we dat de hygiëne het in onze straten overneemt van de warmte.