Ik heb geen idee

Het concert is halverwege en een paar meter van me vandaan zie ik een opvallende dame. Haar man zit in een rolstoel en vooraan op het balkon. Hij is fysiek beperkt, de dames naast hem hebben meer beperkingen. Ze laten af en toe wat speeksel lopen en hun gegil komt boven de muziek uit. Even denk ik dat ze meer plezier hebben dan ik, en tegelijk is dat dan weer een idiote gedachte. Ik heb geen idee.

Ze legt af en toe een hand op de schouder van haar man. Haar lichaam heeft de schoonheid van iemand die in het leven niet veel gebruik maakt van haar gezichtsspieren. Wat is erger: nooit lachen of nooit huilen? Ze heeft een modern leren jasje aan en kijkt flirtend om zich heen naar de rockers van middelbare leeftijd met een buikje en een spijkerjasje.

Elke keer als de dames vooraan zich verliezen in hun enthousiasme doet ze een stapje terug, neemt ze haar hand van haar glas, drinkt ze een gulle slok wijn en kijkt ze om zich heen. Soms ontstaat de aanzet tot een minzame glimlach onder haar masker. De lach is te minimaal om te zien of ze uit gene of geamuseerdheid is geboren.

De band zingt: “I don’t want to be a boy / I don’t want to be a girl / I want to be happy.” Terwijl ze een slok wijn neemt kijkt ze me aan. Haar jasje valt open en mijn oog valt op een elegant decolleté. Ik glimlach en zij glimlacht terug. Ze kijkt te lang om het spontaan te laten zijn en ik kijk automatisch nog een keer naar haar voorgevel. Het is misschien een idiote gedachte, maar misschien doe ik haar er ook een plezier mee. Ik heb natuurlijk geen idee.

Dan knijpt haar man in haar arm en wijst naar de zanger. Ze drukt zich met haar benen tegen de stoel aan, kijkt met hem mee de zaal in en slaat de rest van haar wijn in keer achterover. Tijdens de rest van het concert kijkt ze niet meer om.

De ongemakkelijke navel

Ik kijk uit het raam van de trein en geniet van de bollenvelden. Op het bankje voor het raam zit een stel, ze lijken beiden een jaar of vijftien. Ze praten niet. Ze staren op hun telefoon.
Vlak voor Heemstede-Aerdenhout staat het meisje op. Ze heeft een naveltruitje aan en er schittert iets in haar navel. Het voelt ongemakkelijk en het is tegelijk gênant dat ik het ongemakkelijk vind om haar navel te zien. Hoe meer navels hoe beter, zou je zeggen.
De jongen zit nog en streelt zachtjes over de buik van zijn vriendin. Hij klakt goedkeurend met zijn tong, terwijl zij over hem heen de trein uit kijkt. Ik twijfel of mijn wat groezelige beeld van de jongen komt door mijn eigen ongemak of door mijn vooroordelen vanwege zijn Noord-Afrikaans uiterlijk. Hoe dan ook: het ongemak is vandaag weer lekker aanwezig.
‘Nee, geen Haarlem,’ zegt het meisje en ze blijft staan.
Ik bedenk dat deze jongen zich onmogelijk kan verdedigen tegen alle beelden in mijn hoofd. Ik moet terugdenken aan een moment dat ik mijn oma in Den Haag ging bezoeken, ik groeide zelf op in Almelo. Ik moest met de tram en had en frisse strippenkaart meegekregen. Ik had die kaart in de automaat gestoken, er was een stempel op het logo van de HTM gezet en ik dacht dat het goed was. Toen de controleurs kwamen werd het bonnenboekje gepakt. Ik was gewoon die vervelende puber, die net als alle pubers zwart rijdt. De onmacht die je dan voelt is moeilijk te beschrijven. Ik was gewoon een domme sukkel en meer dan dat had ik niet willen voelen.
De trein remt voor het station en ik sta op. Het stel maakt ook aanstalten om uit te stappen en ik laat hen voor. De jongen zegt: ‘Dankuwel mijnheer.’ Zijn hockey-r rolt uit zijn mond en ik voel me oud.

Nee, da’s niks

Er hangt een tak over het huisje. Vroeger zou ik het een arbeidershuisje noemen, vervolgens noemde de woningmarkt het een starterswoning en binnenkort heet het vast een rijtjeshuis. Het is een kwestie van tijd en alles is een herenhuis. De naam moet passen bij het bedrag dat je ervoor neer moeten leggen.

De tak raakt het dak bijna en mannen met oranje hesjes overleggen of er een hoogwerker bij moet komen. Een van het zeg dat ze het wel vanuit de dakkapel kunnen doen en de ander twijfelt. Het is mistig en de lampen van hun busjes zorgen voor een dromerige gloed in de straat.

Als het binnenkort stormt raakt de tak vast de broze rode pannen. Het huis is ruim honderd jaar oud en het lijkt of de pannen nog origineel zijn. Het is te klein en te duur en in ruil hiervoor ademt het de sfeer van enkele generaties die erin geleefd hebben.

Een man hangt uit het raam. Het is wonderlijk genoeg juist de man die twijfelde. Hij strekt zijn arm met een kettingzaag er aan ver uit naar de tak. Hij redt het niet en haalt zijn schouder op. ‘Nee das niks’, zegt hij. de man beneden knikt en pakt zijn telefoon om een hoogwerker te bestellen.

Filmhuis

In het filmhuis is alles anders. Zelf de sensor van het pinapparaat zit aan de achterkant van het apparaat en er niet bovenop. Ik denk dat ze dit hebben gedaan zodat je als bezoeker niet op de automatische piloot en biertje bestelt. Mensen aan de bar klagen dat de film die ze net zagen te veel informatie gaf, ze drinken cola van een vega-merk. Ik denk dat deze mensen aan het denken werden gezet. Ik hoop dat als ze zo in de trein zitten mooie gedachten bij hen naar binnen vliegen.

Ook als ik bij Cultuur met een hoofdletter ben moet ik plassen. Er is een uniseks toilet en een toilet voor vrouwen. Hier moet lang over vergaderd zijn. Zijn er meer mannen of vrouwen transseksueel? Ik moet dat – na het handenwassen uiteraard – even uitzoeken op Google. Er zijn meer transvrouwen blijkt, dus meer mannen worden vrouw dan andersom. Ik vind dat interessant. Is het dan leuker om vrouw te zijn, of is het makkelijker voor mannen om zich als transseksueel te openbaren? 

Ik zit dan toch te kauwen op de keuze van het filmhuis. Als je het even niet weet wordt je geacht bij de mannen aan te sluiten, want die hebben hier minder moeite mee? Waarom is er niet voor gekozen om alle toiletten uniseks te maken? Straalt dit toch weer uit dat wij mannen de kwade pier zijn in alles wat er mis is met de wereld en de verhoudingen tussen de seksen? Of is het gewoon een feit dat mannen vaker het probleem zijn in de wereld? Die vergadering over het bordje moet prettig zijn geweest.

Gelukkig wekt de film me uit mijn gedachten. Ik word aan het denken gezet, maar gelukkig niet te veel. De film is een thriller waar op verrassende plekken scherp is gesteld en waarin mannen en vrouwen naakt door het beeld mogen lopen. Soms lijkt het bij arthousefilms alsof mensen bijna verplicht naakt moeten zijn, wat het ook weer clichématig maakt. En wat maakt dat ik hier überhaupt over nadenk? Waarom maakt het uit of iemand naakt is of gekleed? En blijf ik dan naar de ogen kijken of ben ik ook zo’n viespeuk en voyeur als zo velen? En dus heeft de film me aan het denken gezet: heerlijk.

Fietsen in Afrika

Op de bijeenkomst van de sportvereniging zit de voorzitter voor de groep een Powerpointje weg te klikken. Hij benadrukt een keer of dertig dat het belangrijk is dat we als ouders ook zelf dingen doen. Participatie is het woord dat hij gebruikt. Ik vind dat woord een eufemisme dat zich qua impact het best laat vergelijken met het woord inslapen voor het vermoorden van je kat. Als hij dat woord gebruikt denk ik aan onze verzorgingsstaat en word ik sentimenteel. 

Hij geeft aan hoe belangrijk deze avond voor de ouders is. Hij legt uit dat de regels zijn veranderd en dat we ons als ouders hierin moeten verdiepen, zo is het veld dit jaar 90 graden gedraaid. Er is een landelijke commissie die zich hier elk jaar weer in verdiept en dit keer tot een andere keuze is komen. Hij sluit af door te zeggen dat hij eerder weg moet omdat hij moet pakken voor Afrika. De voorzitter gaat er namelijk fietsen voor het goede doel. De zaal zwijgt deemoedig.

Na zijn vertrek wordt uitgelegd hoe het trainingsschema van het jaar in elkaar zit. We krijgen de opdracht om op het veld te zijn, om te controleren of de trainingen goed gaan. We horen dat het leuk moet zijn. Dat de contributie verhoogd wordt. Dat je kleding moet aanschaffen met het logo en positief moet zijn. Ik knik en denk aan Afrika. In Afrika heb ik alleen maar mensen zien fietsen met de bagagedrager absurd hoog beladen met bananen en de voorzitter past niet in dit beeld.

De actrice spreekt

Een actrice vertelt in een podcast over haar leven. Ze vertelt hoe ze twee huizen heeft. Ze vertelt tegelijk hoe ze zichzelf als linkse intellectueel ziet. In haar taal zit dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee je mensen met een meervoudig modaal salaris hoort praten over de aanschaf van een elektrische fiets voor erbij.

Iets aan haar verhaal maakt dat mijn maag gaat rommelen. Is het de oude verzuilde houding of hoe ze over mensen bij de PvdA praat alsof het per definitie vrienden zijn? Is het hoe ze praat over dat ze het toch wel gênant vindt om twee huizen te hebben en hoe ze zich verwondert over hoe moslims om haar heen radicaliseren? Is het de totale vanzelfsprekend waarmee ze praat over projectsubsidies voor haar werk?

Net voordat het gerommel me te veel wordt begint ze slimme dingen te zeggen. Ze is echt een goede actrice, een legende als je het mij vraagt. Eigenlijk wil je kunstenaars, artiesten of schrijvers niet leren kennen, het is zo veel mooier als hun werk los kan staan van hun mening. Waarom moet iemand altijd een mening hebben?

Als luisterend denk ik na, en het is de vanzelfsprekendheid die me het meest stoort aan haar betoog. Misschien vind ik wel dat we als mensen elke dag blij moeten zijn met het gegeven dat we weer een dag gelukkig en gezond mogen zijn? En ik denk dat als je echt intelligent bent, je ook constant een bewustzijn hebt voor die anderen. Voor mensen die minder rijk zijn, minder jouw politieke gedachten delen of in een andere omgeving of religie zijn opgegroeid.

En natuurlijk zorgt dit bewustzijn voor een gekmakend gevoel van onrecht. Toch kunnen we samen pas verder komen als we luisteren naar elkaar, en proberen te begrijpen waarom iemand een leven leidt zoals het is.

En terwijl ik dit schrijf, merk ik dat ik hetzelfde doe als wat zij doet. Een mening geven, waarom toch?

Meeuwen op mijn dak

Vorig jaar hadden we een nest meeuwen op ons dak. Een heerlijk stukje natuur hoor ik u denken, ze zijn niet voor niets officieel beschermd. Hoewel, dat zegt ook niet veel: een notaris is ook een beschermd beroep. Maar ter zake. Die meeuwen zaten op ons dak en maakten af en toe wat herrie. We overleefden het wel.
Tot op een dag het jong probeerde te vliegen en faalde. Vervolgens zat hij op onze uitbouw en later in onze tuin, terwijl de ouders in duikvlucht hun falend nageslacht beschermden. Het was mooi weer en die belegering duurde vier weken.

In het najaar heb ik met de buurman het dak schoongeveegd. Een vierkante meter aan stro en troep bleek hun nest te zijn, er begonnen al plantjes op te groeien. Bij een groen dak had ik een ander beeld.

Nou is onlangs het broedseizoen weer begonnen en hoorden we ineens herrie door onze schoorsteen. Ik zette een draadloze speaker voor de kachel en begon oorlogsgeluiden via Spotfify op hoog volume af te spelen, tot mijn vrouw ging klagen want Oekraïne. De buurman tipte het geluid van een buizerd en ook dat geluid stuurde ik mijn rookkanaal in.

Nou ben ik een liefhebber van de natuur en ik had een nest op mijn dak nog geen groot drama gevonden, echter over een paar weken komen ze zonnepanelen bij met plaatsen. Ik heb geen zin om twee keer de kosten van de kraanwagen die voor komt rijden te betalen.

En toen lag er dus ineens een dode meeuw voor ons op straat. Ik woon aan een drukke weg dus het lijk was snel verdwenen. Het gevoel was even dubbel maar ik heb ze vervolgens niet meer op het dak gehoord en ik moet eerlijk zeggen dat ik het niet erg vind. Ik hoop dat het zo blijft.

Jongen met bas

Langs de doorgaande weg staat een jongetje met een basgitaar. Het is een volwassen model; het mannetje bezwijkt bijna onder de band die strak gespannen over zijn schouder ligt. Uit de versterker klinkt onhandig gepingel. Het lijkt meer op muziek voor een klavecimbel. De jongen kijkt alsof hij in een uitverkocht Wembley staat en drukt met zijn kruis de gitaar naar voren. Zijn vader zit naast hem op een campingstoeltje en rookt een sigaret. De wind waait de goede kant op en zijn kind rookt vandaag daarom niet mee.

Dit beeld verdient een achtergrondmuziekje. Ik hoor het intro van W.M.A. van Pearl Jam: ‘He won the lottery, when he was born.’ Wat past die tekst ineens wonderlijk goed bij mijn gevoel. Soms voegt de realiteit zich naar je verbeelding.

‘Police stopped my brother again’, klinkt het als ik mijn weg naar huis vervolg. Het is tijd om de eieren voor de pannenkoeken naar mijn familie te brengen. Papa was vergeten ze te halen, dus papa gaat maar even naar de supermarkt. Er rijdt een politieauto langs.

Een echtpaar dat mij tegemoet komt moet lachen bij het horen van het lied van Pearl Jam en ze zwaaien naar de jongen met de bas. Ik groet ze vriendelijk. Het is fijn om in een dorp te wonen.

Amsterdam

Ik slaap in een hotelkamer zonder stoel of tafel, omdat er geen ruimte voor is. Een eigen wc en douche heb ik wel. Er kan een dakraam open, waar ook dieven door naar binnen kunnen. Dit is Amsterdam.
Douchen doe je met de deur dicht, vanwege het brandalarm. De Duitse jongens die voor mij incheckten vroegen naar de dichtstbijzijnde coffeeshop. Ik slaap niet naakt want het brandalarm gaat vast af vannacht.
Ik betaalde cash een borg van vijftig euro, maar zie niet in hoe ik in deze kamer voor dit bedrag iets kan slopen. Misschien als ik de televisie meeneem en ook de relatief nieuwe wc-pot. Maar de trap is erg steil en er staat een camera op de voordeur. Via het dakraam kan maar ik heb geen idee waar ik uitkom.
Maar dit is Amsterdam dus ben ik in vijf minuten bij Paradiso, Museumplein en binnen een kwartier bij Frascati. Bij het laatste theater zie ik een toneelstuk. Ik zie een bekende acteur in de zaal. Een karakterkop wiens naam ik niet weet maar die Ramses speelt. Het stuk is zo creatief dat het voor mij niet te volgen is. Ik voel me aangenaam cultureel underdressed als ik de zaal verlaat.
Op het tapijt van de hotelkamer zit een bruine bloedvlek in de vorm van een hartje. Als je het ziet, moet je er naar blijven kijken. Is het van een neus, een koppige pukkel of iemand die te veel gesnoven heeft?
Dan ga ik slapen. Het voelt alsof uit het hele gebouw warmte naar mijn kamer komt. Het open raam helpt niet, dus ik lees. En als ik net in slaap gevallen ben gaat natuurlijk dat brandalarm af. Ook dat is Amsterdam.


Sprinter

Op het bankje in de halfvolle sprinter zitten een jongen en een meisje. Hij zit elegant met zijn gezicht van haar afgewend op zijn telefoon te tikken, zijn benen over elkaar. Zij zit met een manspread ogenschijnlijk kwaad voor zich uit te kijken. Toch heeft ze lieve ogen. Ik kan niet inschatten of het vreemden zijn, of ze een uitgedoofde relatie hebben of dat ze na een eerste nacht tijd voor zichzelf pakken.
Vijf minuten later kijkt hij naar buiten en zit zij op haar telefoon te tikken. Ze tikt net zoals ze kijkt, als de drummer van een deadmetalband.
Ze hebben allebei een hippe tas die je niet dicht ritst maar oprolt. Hij gooit hem als we het station inrollen over zijn schouder en loopt naar de deur. Ook zij staat op, maar wel pas als ze klaar is met tikken.
Als de trein weer optrekt zie ik ze achter elkaar lopen. Ze zijn de enigen op het perron. Niet veel mensen willen hier zijn. En toch: ik weet nog steeds niets.