Geef mij maar chloor

Er was eens een trein in het oosten van het land. Ik stapte in en dacht al: ‘Oei. Het zijn wel veel mensen.’ Maar wanneer is veel, te veel? De spits was net voorbij, dus het zal voor mensen met een bepaalde kaart bij de NS wel gunstig zijn, dacht ik.

Toen we wegreden drong het tot me door dat de trein echt helemaal vol was. Ik stond met mijn mondkapje tegen het raam geperst en tuurde naar de schone buitenlucht. Er kwam een trein langsrijden met de naam “Relus ter Beek” en ik was niet eens in Drenthe. Om me heen stonden studenten. Ik bedacht me dat die groep maar voor twintig procent was ingeënt. Het was die groep die leefde bij de gratie van het warme contact met de medemens. Zij hadden de mooiste tijd van hun leven nog voor zich en ik had twee prikken in mijn arm. Maar ik las ook ergens dat dit goedje steeds minder werkt als het ding langer in je arm zit. De trein voelde vies als een natuurzwembad aan het einde van een warme zomer. Geef mij maar chloor.

De conducteur zei sorry en vroeg mensen om toch echt hun tas van de stoelen te halen. Net als vroeger, maar toen was die tas nog lullig en geen lijfsbehoud. De twintigers om me heen zuchtten. Ze vroegen aan elkaar: gaan die mensen er de volgende halte uit of wachten ze op een zitplek? Ik had geen idee. Ik wist wel dat ik een boek mee had en bij de volgende stop zou uitstappen. En ik las nog lang en gelukkig.

Van spanning gevouwen handen

Vanuit mijn raam zie ik een jongetje van een jaar of vier op een fietsje over de stoep racen. Tien seconden later volgt een grootvader die poogt te joggen. Aan alles zie je dat mannen dat in zijn tijd niet deden: hardlopen voor de lol. Ongeveer een minuut later komt oma langs. Ze waggelt en knijpt een bal plat onder haar linkerarm.

Ik heb gisteren de premier horen spreken met zijn van spanning gevouwen handen en ik heb nog eens gehoord hoe serieus het allemaal is. Er is een virus waar de ziekenhuizen vol door liggen. Ik hoor mensen mopperen over maatregelen, en een beetje over het psychisch welzijn. Ik zie hoe een vergelijking wordt gemaakt als dit goed uitkomt: als zij mogen dan ik ook. Ik zie hoe vaak wordt gezwegen als het minder goed uitkomt.

Het is raar hoe weinig mensen gelukkig worden van een economie die stil staat. Van het gegeven dat we niets meer hoeven, omdat het toch geen zin heeft, zie ik bijna niemand plezier hebben. Mensen worden er vooral arm en chagrijnig door.

Aan de overkant stopt een vrachtwagen van een groothandel in kantoorartikelen. De chauffeur laadt een grote doos uit, ik gok dat er een bureaustoel in zit. Op de doos liggen twee pakken met A4 printerpapier. Ik moet werken, maar zou willen dat het jongetje weer langs kwam racen. Zijn grootouders moet hij toch zo langzamerhand wel afgeschud hebben. 

Wachten met bakjes

Plaats van handeling: IKEA. Tijd van handeling: een zaterdagochtend. Oorzaak van deze rampzalige planning: daar gaat het nu niet om. Reden: een matras dat niet voor twee personen, maar voor een had moeten zijn.

Ik sta al een half uur in de rij voor de servicebalie een verstandige anderhalve meter afstand te bewaken, als ik zie dat ik een QR-code had kunnen scannen, om sneller toegang te krijgen tot een speciale balie voor retouren. Ik denk “kut” want omdraaien zit er nu niet meer in: alle bewegingsruimte wordt ingenomen door hygiënemaatregelen. 

Voor me staat een vrouw met vier bakjes en een lelijke gloeilamp. Ze moppert als enige tijd dat het lang duurt. Ik hou van mensen die klagen, het draagt bij aan de humor in de wereld. Aan mensen die zaken goed kunnen relativeren heb je verhaaltechnisch geen zak. Ze wordt steeds bozer en ongeduldiger. Na een uur komt de vrouw eindelijk aan de voorkant van de rij aan. Dit is echter de langzame rij, met de moeilijke gevallen, voor mensen die geen QR-codes kunnen scannen. Bij de balie staat een minuut of tien een man. De blauw-gele personen die de klant proberen te helpen fronsen vaak.

Vanuit mijn ooghoek komt een oude vrouw traag aanlopen. Aan haar zijde loopt een blauw-gele medewerker van de IKEA. Ik denk direct: dit wordt lachen, eindelijk wordt het patroon van traag voortbewegende klanten verstoort. Voorpret is de helft van het plezier. Op het moment dat de moeilijk casus is afgerond stapt de IKEA-medewerker naar voren, de oude vrouw in haar kielzog. De vrouw draait zich om en gaat met haar rug tegen het plexiglas op de balie staan. Ze kijkt verdrietig. Voor mij springt de vrouw met de bakjes hinderlijk heen en weer in het beeld. Ze steekt vinnig haar vinger in de lucht. Ik vermoed dat ze vroeger op school niet vaak genoeg een beurt heeft gehad. Er loopt een medewerker langs die meer blauw en minder geel heeft dan de rest. De bakjesmevrouw vertelt woedend haar verhaal. Iedereen staat hier namelijk lang te wachten. In tijden van Corona wordt de grootste egocentrist een oprechte communist. In deze wachtrij moeten we zorgen dat het leed eerlijk wordt gedeeld. De IKEA-medewerker is empathisch goed opgeleid en zegt in mooie woorden dat het op zaterdag inderdaad vaak druk is. 

Ik sta achter haar te gniffelen om deze  klucht. De ouderdom van de vrouw aan de balie is overtuigend. Het theater verkort de mentale wachttijd en na ongeveer tien minuten mag de vrouw haar bakjes en die gloeilamp teruggeven. Even hoop ik dat die lamp op het laatste moment op de tegels kapot valt, maar ze is snel klaar, de IKEA-jongen wijst haar op de QR-code. Ik zie hoe ze rimpels diep in haar gezicht kerft als ze het gebouw uitloopt. Ik moet een half uur later nog glimlachen.

De hygiëne en de warmte

Ik mis mijn afkeer van overdreven hygiëne, mijn haat voor mensen die al het leven plat slaan door het te desinfecteren. Ik mis de tijd waarin ik een aanraking van een vreemde niet erg maar soms zelfs aangenaam vond. Ik voel gene, als ik met iemand praat en twijfel of mijn druppels misschien naar die ander overspringen.
Ik mis de zinloze borrels, die als doel hebben om een team te smeden, maar vooral om mensen te zien. Ik mis mijn team, omdat we enkel elkaar nog spreken als hier een inhoudelijke aanleiding voor is. Alle onzin is verdwenen, maar de kern van het leven is juist dat het zo mooi onzinnig is.
Ik haat die anderhalve meter. Ik haat het dat we niet de ruimte mogen betreden waarin normaliter de spanning tussen mensen ontstaat. Afstand isoleert als het plastic om de elektriciteitskabel. Ik wil dichterbij komen: of het nu is om iemand te ruiken, of om zonder vooraf bedachte route een trein te verlaten of om een vluchtige zoen te geven. Het kan niet meer en de spanning zakt uit de wereld weg.
Dan zeggen mensen dat het verstandig is, want voor de ouderen, dus houdt afstand. We zien dat het uitmaakt in het totaal en zien de statistieken. We kunnen meten dat het werkt, dus het werkt en het is het dus waard. We hebben het gered. En ondertussen voelen we dat de hygiëne het in onze straten overneemt van de warmte.