Sinasappelsap

Ik heb een fles sinasappelsap gekocht bij de kiosk op het station. In de trein ga ik zitten en klap ik een boek open: “Het ritsloze nummer” of in het Engels “Fear of flying”. Dit krijg je als een vertaling marketing wordt. Het boek was spraakmakend in de jaren zeventig. Op de eerste pagina staat: ‘Bigamie betekent dat je een man te veel hebt. Monogamie ook’. De bron van deze quote is een anonieme vrouw. Natuurlijk: een man mag niet zo lomp over de andere sekse praten. We zijn allemaal gevoelig, maar de ene sekse is gevoeliger dan de ander.

Als ik enige tijd later het sap op wil drinken is de fles halfleeg. Ik weet niet of ik al eerder heb gedronken. Het lijkt me wonderlijk dat ik dat niet meer weet. Waarschijnlijk heeft iemand in de winkel stiekem de helft er uit gesabbeld zonder te betalen. Mensen worden steeds brutaler. Het sap smaakt veel minder goed dat ik verwachtte. Ik proef een beetje zeep, maar waarom zou iemand er zeep in doen?

Het begon al met de jongen van de kiosk die nieste. Hij deed dit wel netjes in de holte van zijn elleboog, maar toch. En dan nog: wie niest er niet in het najaar? Hij rekende af met die vieze handen. Een broodje en een plastic fles jus. Toen zat de fles toch nog vol? De zepige smaak in mijn mond is onprettig. Het is stroef en glad tegelijk, maar het hoort niet. Ik gooi het flesje weg in de afvalbak achter de stoel voor me, maar het is te laat. Ik besluit te vertrouwen op mijn weerstand en niet een vinger tegen mijn huig te leggen. Ik baal ervan dat mijn jus hierdoor verpest is, een plastic flesje op het station is duur. Als ik de klootzak te pakken krijg die er stiekem uit gedronken heeft geef ik hem een dreun. Natuurlijk is het een man: vrouwen doen dit soort smerige dingen toch niet?

Op de armleuning

Ze zitten samen in de tweede klas van de trein die zojuist vanuit Den Haag naar Groningen is vertrokken. De mooie vrouw streelt de rug van de gebroken man. Hij huilt hardop. Ze stopt met strelen en laat zich achterover in haar stoel zakken. Haar blik is onbewogen, maar ik zie haar ogen glinsteren. Ze praten. Ik wil het niet horen en zet Pink Floyd harder.

Voor hen spelen twee kinderen op een tablet. Af en toe juicht een kind en komen twee armpjes boven de stoel uit. Hun enthousiasme hoor ik boven de muziek uit.

De man leunt met zijn hoofd op zijn armen, maar laat zich dan ook achterover vallen. Zijn gezicht is donkergrijs en ingevallen zoals bij mensen die in de winter op straat leven. Een restant van de snijdende vorst, die zelfs littekens op asfalt achterlaat. De vrouw is niet dik maar vol van zelfvertrouwen en heeft lang blond haar. Het lijkt me haar dat waanzinnig moeilijk te kammen is. Hij legt een arm om haar heen. Samen staren ze een moment naar de Randstad die voorbij trekt. Zij pakt zijn arm en legt die op de armleuning tussen hen in.

Een rockopera in Brabant

Ik rij in de trein het liefst met mijn rug naar de rijrichting. Dit komt doordat de meeste mensen hier liever niet zitten. Ik hou er niet van als mensen die ik niet ken te dichtbij komen. Aan de andere kant: als je achteruit kijkt heb je overzicht over waar we waren, als je naar voren kijkt zie je alleen de rampen die op je afkomen. Het is maar helemaal de vraag wat het meest prettig is.

Het is zondag en ik zit in een trein die zo vertekt naar Brabant. Mijn bestemming is een concert van Ayreon: een rockopera. Dit is een unieke gebeurtenis waar mensen uit meer dan zestig landen naartoe komen. De meeste bezoekers zijn vast mannen met verwassen bandshirts, maar ook dat zijn bezoekers. Dit alles speelt zich af in 2019, dit om misverstanden te voorkomen.

Het is kwart voor tien en de coupé is leeg. In het bankje aan de andere kant van de gang gaat een man zitten die er niet uitziet alsof hij behoefte aan gezelschap heeft. Er zijn genoeg banken met de rug naar de toekomst waar nog ruimte is. Het absurde is, dat hij ook nog eens aan de kant van het looppad gaat zitten. Kortom: dit is een gozer die rare keuzes maakt in het leven. Hij ruikt ook erg muf.

De man pakt een Happy Meal uit, stalt de inhoud uit over twee uitklaptafeltjes en begint te eten. Dat ze dat entertainmentvoer zo vroeg op de dag verkopen (en dan ook nog eens aan dit soort mannen) verbaast me. Wat zou die viespeuk met dat speeltje gaan doen? Zou hij het naast zijn surprise-ei-verzameling op het plankje boven de televisie zetten?

Dan weet ik wat ik ruik. Het is de geur van diverse op elkaar gestapelde lagen van zweet en vocht. Zoals in 2003 bij dat concert van Coldplay. De zon kwam op, er viel regen en toen kwam er weer een brandende zon. Misschien dat ik toen ook zo stonk, maar dat was dan na afloop rond middernacht.

Die verschoten versie van Chriet Titulaer begint aan een kruiswoordraadsel in zijn gratis krant. De lucht komt met vlagen en ik merk dat mijn cappuccino smaak begint te verliezen. Alsof de golven stank de prettige aroma’s wegvoeren. Ik vind het vaak jammer dat ik moeite heb om mensen te kwetsen. Ik loop liever voor een conflict weg of, erger nog, ik stel me ziekelijk tolerant op. Dat is op deze zondagochtend mijn eerste neiging, daarom pak ik een braaf boek.

De coupé vult zich, met uitzondering van de rij voor en achter ons. Er kwam net een meisje met een shirt van ‘Stream of Passion’ binnen, ze wou achter me gaan zitten, haalde haar neus op, keek naar mij en liep door.

Die ochtend heb ik besloten om een grote stap te nemen. We rijden het eerste tussenstation in, ik pak mijn spullen bij elkaar en loop naar het volgende treinstel. Ik haal diep adem, pak mijn boek en ben erg tevreden met mijzelf. Even baal ik dat ik deze man niet heb kunnen kwetsen, dat was misschien beter geweest.

Kaas

Het is een drukke vrijdag. Op de weekmarkt heeft de biologische kaasboer het definitief gewonnen van Van Veen met zijn fabriekskaas. Daar waar mensen succes hebben, ontstaat altijd drukte, ook als het om kaas gaat. Achter de toonbank verliest men het overzicht en naast me piept er een man naar voren. Hij zegt: ‘Ik ben hoor.’
Dat is niet erg. Dit gebeurt elke dag en het valt me meestal niet eens op. Het is niet belangrijk. Ik geloof niet dat het leven iets is dat we gehaast tot ons moeten nemen, daar ga je maar van boeren. Maar zoals dat gaat met rust, er is altijd wel iemand die het komt verstoren. Een man achter me zegt: ‘Ik heb vroeger op de markt gewerkt en pik ze er zo tussenuit.’ Ik denk dat ik hem er ook uit zou hebben gepikt. De voordringer is het type dat geleerd heeft om niet naar iedereen te luisteren, maar om te zorgen dat er draagvlak is als hij met een idee komt. Je ziet het aan zijn dominante bril denk ik.
De gepensioneerde man gaat door: ‘Je kan beter rechts gaan staan. Die zien ze nooit over het hoofd.’ Ik ben hier voor kaas. Een pond belegen en een pond jonge komijn. Meer niet. Dan vraagt een jongen  vanachter de kassa helemaal rechts: ‘Wie is er aan de beurt?’
‘Ja, ik ben!’ zeg ik. Ik breng het te snel, te hard en met te weinig autoriteit om niet als voordringer over te komen. De oude man achter me kucht bemoedigend en ik bestel.
‘Wie was er dan?’ vraagt een meisje aan de linker kant van de wagen. Een vrouw zegt dat ze denkt dat zij aan de beurt is, maar dat ze nauwelijks iets meer durft te zeggen. Zij heeft namelijk wel de tijd en vindt het echt niet belangrijk wie er aan de beurt is.

Snuffie

Wij hadden thuis geen dieren. Ik loop met een stijf konijn op de spade naar de groene bak. Haar zusje loopt rondjes in de ren. Ze was nog te jong en gisteren liep ze nog vrolijk rond. Het is erg heet. Ik zie dat er veel dodelijke vliegen in de tuin zijn. Zouden we het hok vaak genoeg schoon hebben gemaakt? Hadden we haar niet moeten inenten tegen iets?

Dadelijk komt mijn dochter (7) thuis van een vakantietrip. Het konijn van mijn zoon leeft nog. Ik weet niet hoe dat is, een kind zijn en een dood huisdier hebben. Ze zal wel huilen. Ik hoop dat ze in een konijnenhemel gelooft.

Op slot

Ik ben vanochtend vergeten om mijn fiets op slot te zetten. Hij staat in zijn eentje in de dubbeldeks fietsenstalling van het forenzendorp. Ik had terug kunnen reizen, het is vanaf mijn werk maar een kwartiertje. Ik heb het er bij gelaten. Ik heb niet eens afspraken op het werk vandaag. Het is zomer.

Ik zal woedend zijn als iemand hem vanavond heeft meegenomen. Misschien geef ik wel een tik tegen de stalen gleuf waar mijn fiets in hoort te staan. Ik zal boos worden en me afvragen of degene die mijn fiets heeft meegenomen een dief is. Als je huisdeur open staat mogen mensen je woning toch ook niet leeghalen?

Schouderbladen naar elkaar

Ik heb hier op het plein voor het gemeentehuis niets te zoeken. De anderen staan braaf in een halve cirkel om hun leider Diederik. Hij zit op de rugleuning van het bankje en ondersteunt met grote handgebaren zijn gepraat. Hij is al tien minuten aan het zeuren over ambtenaren die te vroeg naar huis gaan.
Ik had thuis moeten blijven en die kutstoelen moeten slopen. Die zogenaamde gulle gift van een vent bij wie ma schoonmaakt. Het is oude troep die ze direct weg had moeten flikkeren.
‘Waarom?’ vraag ik de groep. Ze zijn stil. Ik adem in en trek mijn schouderbladen naar elkaar: een rechte rug is belangrijk. Diederik kijkt naar de anderen. Zijn nieuwe jas van Gaastra steekt felrood af bij het druilerige weer. Altijd moet hij laten zien dat hij bijzonder is. En dan die schoenen. Het zijn net werkschoenen, maar dan nieuw.
Diederik gaat over een paar jaar studeren en de rest van de cirkel blijft hier. Ons dorp is zo onbelangrijk dat de trein van D. naar L. soms vergeet te stoppen. De mensen in de trein halen op dat moment hun schouders op.
Vanaf het bankje tuurt Diederik om zich heen. ‘Jongelui,’ zegt hij. ‘Herman hier wil weten waarom wij bejaarden geld afpakken.’ Hij is wanstaltig mager, alsof hij thuis niet normaal te eten krijgt. Ik laat hem praten, hij is goed met woorden. Hij begint weer eens over die rijkelui in ons dorp. Lui die een beetje cash niet missen. Zoals altijd durft niemand het voor de hand liggende te vragen, want ook de pa van Diederik kan wel wat cash missen. Als je moeder dood is, is alles blijkbaar anders.
Aan de gevel van het gemeentehuis hangt een wapen in brons. “Drie afgeknipte teennagels” had een beroemde schrijver het volgens opa een keer genoemd. Zijn naam leek op de mijne, zei hij nog, meer heb ik niet onthouden.
‘Wat wil je nou?’ Diederik springt van de bank af. ‘Jij stelt een vraag kerel, ik geef correct antwoord en jij luistert niet eens? Waar zijn je manieren?’ Hij zet zijn handen in zijn zij. ‘Nog een keer dan. We zijn gisteren een beetje uitgeschoten. Sorry.’
Er loopt een man met een teckel het plein op. Hij is dik en heeft een sigaar in zijn mond. Diederik loopt naar de man toe en zegt: ‘Goed zo kerel, laat hem maar lekker schijten tegen het gemeentehuis.’ Hij schopt naar het hondje, maar het dier blijft koppig staan. De man moet hard aan de halsband trekken om het beestje mee te krijgen. Hij neemt niet eens de moeite om iets terug te zeggen.
Dat aanpakken van ouwetjes vind ik prima. In ons dorp verkoopt een traiteur flessen wijn van 350 euro. Die wijn wordt met dozen tegelijk ingeladen in de boodschappenautootjes van de huismoeders. En dan nog kunnen die families zonder moeite hun drie kinderen laten studeren en gaan ze vier keer per jaar op vakantie. Op het station hoor ik ze klagen over de toename van de belastingdruk en dat dit hun zorgen baart. Mijn moeder moet drie dagen werken om een fles van die wijn te kunnen kopen. Ze doet het graag, zegt ze als ik er naar vraag.
‘Waarom mijn opa?’ De spieren tussen mijn schouderbladen verkrampen. Ik laat mijn schouders iets zakken.
‘Nou ja zeg!’ Diederik kijkt er oprecht verrast bij. ‘Je hebt toch zelf lopen pochen dat hij geld had?’ Hij kijkt er ontspannen bij.
Toen ik vijf jaar geleden met pa en ma bij Diederiks vader op kantoor zat, had die ouwe diezelfde ontspannen blik in zijn ogen. Zoals mijn moeder een huis schoonmaakt, zo regelt de vader van Diederik de breuk in een familie. Hij zei: ‘Het is belangrijk dat de kinderen er niet de dupe van worden.’ Al jaren was ik de beste vriend van Diederik, maar dat ik enig kind was, was hem blijkbaar niet opgevallen.
‘Een week zwart is minder dan wat hij net aan geld heeft gebeurd,’ zei pa toen we het herenhuis uitliepen. Ma legde een vinger op haar mond en wees naar mij.
Opa kom ik soms tegen als hij zijn vaste rondje door het dorp maakt. Ik steek dan mijn hand naar hem op. Het was altijd leuk bij hem, tot pa weg ging. Omdat pa geen alimentatie betaalde, moest opa bijspringen. Hij is niet rijk maar ma vond hem rijk genoeg. Hij kon leuk voorlezen uit een boek over een grote perzik.
Diederik staat op en komt voor me staan. ‘Jezus kerel. Had je ook maar moeten zwijgen.’
Ik wil hem op zijn bek slaan, maar mijn vuist blijft langs mijn been hangen. Als ik aan mijn woede toegeef is het allemaal voor niets geweest. Het zou fijn zijn om hem te horen huilen als een kleuter. Altijd maar die grote bek. Altijd maar dat slimme verhaal.
Die gasten om hem heen zijn allemaal bang omdat hun pa of ma voor mijnheer de notaris klusjes doet. Ook mijn moeder is er blij mee. ‘Vijftien per uur,’ zei ze opgetogen toen hij haar kort na de scheiding had ingehuurd. Diederik zei pas nog dat ze heel erg over haar te spreken zijn. Hij lachte er niet gemeen bij.
‘Kom.’ Hij slaat een arm om mij heen en klemt me met zijn benige arm vast. ‘Zand erover. Wat doen we vanmiddag?’

In het park naast het gemeentehuis is vorig jaar een nieuwe speeltuin aangelegd. Het stikt hier van de speeltuinen. En alsof dat niet genoeg is, is een groep ouders begonnen om geld bij elkaar te leggen voor een natuurspeeltuin. Crowdfunding noemen ze dat, een leuke hobby voor als je geld te veel hebt.
We zeggen tegen een kleuter van een jaar of vijf dat ze weg moet. Ze heeft witte haren die in een knot boven op haar hoofd zijn samengebonden. Met haar handen in haar zij kijkt ze ons boos aan. Ik til haar op en zet haar zachtjes midden op het grasveld. Haar lijfje is warm en gespierd.
‘Niet eerlijk,’ roept ze, maar als ik haar boos aankijk rent ze snel naar het winkelcentrum.
Het klimrek is van prachtig hout gemaakt, het is perfect om een bank van te bouwen voor op ons balkon. Die gasten van de gemeente denken zeker dat ik het niet uit elkaar krijg als ze torxschroeven gebruiken.
Zelfs jongerencentrum De Saamhorigheid hebben ze gesloten. Hoe duur kan het zijn om eens per maand een gast met een geestelijke handicap biertjes te laten tappen? Nee, we geven hem liever een uitkering. Jongeren horen in ons dorp op school of moeten huiswerk maken, verder wil niemand ze zien.
We hebben voetbal geprobeerd. Eén keertje schoot ik uit. Een gast die beter op ballet had kunnen zitten kreeg een blauw plekje op zijn been en moest huilen. Zijn mama (die overigens maar twaalf euro per uur betaalt) kwam klagen. Diederik mocht wel blijven, zei ze, iets met slechte invloed van zijn vrienden.
Ik ben het eeuwige gezeik van mensen over hoe hard ze hebben gewerkt en over hoe ze als eicel de oorlog hebben meegemaakt helemaal zat. Inmiddels zitten ze al jaren op hun luie reet. De hele dag geven ze commentaar. Het maakt niet uit wat we doen, klagen doen ze toch wel. Eens per jaar kopen ze een rol drop bij de supermarkt, om die met een groots gebaar in de krat voor de voedselbank te leggen. Sommigen weten het ook zo te mikken dat ze met hun opgeblazen hoofd in het lokale krantje komen te staan. De actie was dit jaar weer een groot succes.
De regen drupt op de bomen. Het is een rustgevend geluid. Diederik laat zijn broek zakken en ik zie zijn pik. Hij is wit en smal, net als de rest van zijn lijf. Met zijn broek op de hielen hurkt hij boven een schommel. Hij kreunt overdreven en laat een drol zakken. De stront dampt in de motregen.

We lopen naar het winkelcentrum. De mensen kijken nijdig onze kant op. Het is overal hetzelfde. Je kan je kop niet laten zien of een jaloerse bejaarde kijkt zuur je kant op. Alsof wij er iets aan kunnen doen dat we nog hard kunnen lopen en nog klaar kunnen komen.
Diederik roept: ‘Jongens! Bij de groep blijven.’
Ik sta stil en Diederik verdwijnt om de hoek. Naast me is een uitzendbureau, ze hebben veel banen met mooie namen in de aanbieding. Supply Chain Manager, lijkt me wel interessant. Ma zegt altijd dat een uitzendbureau perfect is voor als je nog geen dertig bent.
Een van de gasten roept iets naar me en ook hij verdwijnt dan om de hoek. Ik kap ermee. Misschien word ik wel lid van een schaakclub. Of hockey? Ik neem een baantje en betaal ma die vijftien euro per uur, kan mij het verdommen.
Het is niet ver naar de uitgang van het winkelcentrum, een meter of vijftig. Waar de mensen net nog boos naar me keken, lijken ze me in mijn eentje niet meer te zien. Genegeerd worden is heerlijk. Ik haal een paar keer diep adem en kijk naar mezelf in het raam van de winkel naast me. Mijn ogen doen me aan de rustige blik van Diederik en zijn pa denken. Ik wil terug naar huis, misschien kan ik met ma nog naar het bezoekuur.
Achter me schreeuwen mensen. Terwijl ik doorloop naar de uitgang rent Diederik langs. Hij heeft een leren handtasje in zijn hand. Het is het type handtas waar veel geld in zit. Een jaar of dertig geleden was het duur, de eigenaar heeft nog steeds geld.
Mijn telefoon trilt in mijn broekzak. Ma zegt dat ze iets errugs moet vertellen. Dan rukt iemand de telefoon uit mijn hand. Ik worstel me los en deel een klap uit. Ik hoor een vrouw jammeren. Ze biedt weinig weerstand meer als ik mijn telefoon terugpak.
‘Voor honderd euro,’ huilt mijn moeder.
Voor ik verder kan luisteren krijg ik uit onverwachte hoek een klap, de telefoon valt op de tegels, springt in stukken uit elkaar. Ik adem in en trek mijn schouderbladen naar elkaar toe. Eerst raak ik een veertiger vol op haar neus, vervolgens tik ik de rollator van een vrouw die best zelf blijkt te kunnen lopen onder haar armpjes vandaan en tot slot raak ik de winkelruit van een makelaar. Het rinkelen van het glas lijkt op de regen buiten.
Het meisje met de witte knot rent naar haar moeder die puffend tussen de glasscherven zit. Ze kijken me woedend aan.
Ik moet weg. Ik sprint langs de rommel op de grond en ontspan mijn schouders. Met een rechte rug sprint ik het winkelcentrum uit. Ik heb hier niets te zoeken. Ik moet dringend naar huis.

v5.3