Dag dag

De man rookt en houdt de telefoon iets van zijn oor af. Het is een noorderling: uit zijn gezichtsuitdrukking kan ik al dagen weinig opmaken. Zijn drie dochters spelen bij het zwembad. De man woont deze week met zijn drie dochters in het appartement naast ons. Het is vakantie en te warm, zelfs in het Sauerland.

Hij rookt haastig en roept: ‘Jongens! Wil een van jullie moeder spreken? Ze kan praten.’

De kleinste (een jaar of vijf) komt aanlopen. Even later loopt ze met de telefoon aan haar oor langs het zwembad. Ze glimlacht soms. De man kijkt voor zich uit en probeert contact te maken. Ik blijf in mijn boek kijken, vandaag heb ik geen zin om met mensen te praten die om een praatje verlegen zitten.

Na vijf minuten maakt de man een armbeweging en het kind loopt terug. Ze zegt ‘dag dag’ en geeft de telefoon aan vader. 

De man luistert twee sigaretten lang naar de telefoon, zijn ogen kijken uit over het dal. Dan kucht hij en zegt: ‘Nee, zo hadden wij het dus niet afgesproken. Maar ik moet door.’ Hij drukt op de telefoon en laat hem in zijn broekzak glijden.

‘Nog vijf minuten, dan gaan we pommes eten’ roept hij naar het zwembad.

Onweer

Er stond thee op de tuintafel, maar het was te warm om thee te drinken. Ik was blij dat ik dat weekend in mei bij mijn ouders was, en niet op mijn dertien vierkante meter in Groningen. Mijn moeder deed ondertussen mijn was. Achteraf vind ik het absurd dat het zo lang duurde voor ik dit zelf ging doen. Maar veel dingen in je leven zijn absurd als je er naar terugkijkt. Er was ook nog een rijbewijs te halen. En er was de gewoonte om mijn jeugdliefde in de provinciestad op te zoeken. De liefde en het bezoek was al maanden weg, de stad nog niet. Mensen veranderen langzaam, ik al helemaal.

De thee was nog niet op drinktemperatuur toen het ging onweren. De lucht was strakblauw. Ik zag geen regen en voelde geen wind: niets kondigde een omslag in het weer aan. Het gerommel werd niet harder of zachter, het bleef bij de grens met Duitsland hangen.

Conform traditie ging pas om acht uur de televisie aan en zagen we dat er in Enschede een vuurwerkopslag stond. We zagen de brouwerij van Grolsch en begrepen dat de straat waar wij vaak over reden verworden was tot een oorlogsgebied. Het was een omvang van geweld die ik in mijn leven nog niet had meegemaakt. De hitte verdween uit de lucht. Het werd koud.

We moeten het vertellen

We moeten het nu toch vertellen. De hele klas weet het en mijn dochter van negen niet. Tijdens mijn eigen middelbare school kende ik een meisje dat nooit in Sinterklaas geloofd heeft. Haar gereformeerde ouders vonden dat het geen pas had om te liegen tegen je kinderen: het zou schadelijk zijn voor de opvoeding. Liegen mag alleen als je er zelf in gelooft. Dat vond ik altijd geestig, maar ook bitter voor haar. Laten we eerlijk zijn, waar haal je het meeste plezier uit: realisme of fantasie? En mag je als ouder je kind dit feest ontzeggen?

Nu komt dus in de opvoeding van mijn dochter het moment waarop de waarheid er uit moet. Mijn dochter houdt nog meer van fictie dan ikzelf. Het kan niet anders of ze zit nog steeds diep ondergedoken in het mooie verhaal van de man die enkel goede dingen doet. Ik voelde me net als die oom van me die, terwijl ik lekker in de nieuwe Suske en Wiske zat te lezen, riep dat dit verhaal zo vreselijk ongeloofwaardig was.

We zitten aan de tafel. Zij legt een matje met strijkkralen. Ik roep mijn vrouw. We vertellen dat Sinterklaas wel heeft bestaan en dat mensen het zo’n mooi feest vonden dat ze er geen afscheid van wilden nemen. Mijn dochter lijkt onaangedaan en priegelt door. Ik had enige tekenen van rouwverwerking verwacht, verdriet of woede bijvoorbeeld. Andere ouders hadden ons hier op het schoolplein op voorbereid.

Ze zucht en zegt: ‘Pap, ik was eigenlijk al halverwege. De kinderen in de klas stoppen altijd met praten over Sinterklaas als ik langskom.’

Moeder en ik glimlachen en kijken elkaar even aan. De trots die elke keer opkomt als mijn dochter weer zo’n harde dobber van het leven heeft weten te trotseren wordt telkens groter. Ergens moet die trotscurve gaan dalen, de golf kan niet te lang duren.

Dan kijkt ze weer op en zegt: ‘En nu ga ik het dus snel weer vergeten.’

Man met sigaret

In de kleine auto naast me zit een oude man met een sigaret in zijn mond. De peuk is niet aangestoken en hij lijkt ook niet van plan om hem snel in de fik te steken. Hij lijkt eerder een nostalgische behoefte te voelen naar vroeger. Naar de tijd waarin nog gerookt werd in de trein. Waarin we accepteerden dat we elke paar jaar de muur moesten witten. Waarin mensen begrip hadden voor de stinkende kleren na een avondje stappen.
De man pakt de sigaret, draait het raampje open en gooit hem het raam uit. Dan trekt hij met zijn kleine japanner veel sneller op dan ik.

Landingsbanen


Een van de caissières in mijn supermarkt was er een tijdje niet. Ik had er niet bij stilgestaan: er waren wel vaker caissières een tijdje weg. Maar aan de kassa dacht ik wel: ‘Jou heb ik een tijdje niet gezien.’
Toen ze me aankeek voor de bon (en niet de kooppunten) schrok ik. Haar wenkbrauwen waren weg en vervangen door strakke strepen die me deden denken aan landingsbanen van een vliegveld. Het was raar en het leek te ontkennen dat een lichaam rond is. Een mens is meer rond dan vierkant, maar toch willen we huizen in rijtjes zetten, en kamers vierkant maken. Dan kunnen we de mensen makkelijker op elkaar stapelen.
Deze caissière deed met daarmee meer aan een robot denken. Ik vond van mezelf dat ik maar slecht met deze verandering om kon gaan, ik zou daarin toleranter moeten zijn.

Pas op, kwallen

Eindelijk lig ik weer in de Noordzee. Het is prettig, ondanks dat ik af en toe een kwal moet ontwijken. Een jaar of vijfentwintig geleden is een kwal tegen mijn been gezwommen, en het was niet erg. De angst om gestoken te worden weegt niet op tegen het steken.
Op het strand komen twee zestigers aangelopen. Ze kijken rond alsof ze veel van de wereld hebben gezien. Ze lijken over de horizon te willen kijken, dichtbij is het blijkbaar niet interessant genoeg.
‘Het was een lange reis en het was mooi om deze kant van het land ook een keer te zien,’ begint de man. Hij zal in de tijd dat er nog overheadsheets waren vaak lezingen hebben gegeven. Zijn hele lijf toont professionele presentatievaardigheid.
Zijn vrouw (denk ik): ‘Het was een mooie reis, maar het is niet het mooiste strand dat ik ooit heb gezien.’
Ze zitten aan mijn thuisstrand, dus ik word pissig. Rot dan op naar dat betere strand, schiet door mijn kop. Ik bedenk: ik vind jou ook niet de mooiste vrouw die ik ooit heb gezien. Dan bedenk ik dat ik vrouwen niet op hun uiterlijk mag beoordelen, want dat gebeurt toch al zo veel in de maatschappij. Maar het gaat ook niet om haar kop, maar om haar houding. Er is altijd wel iets mooiers of leukers dan waar je nu bent. Dat je je hiervan bewust kan zijn is toch al een zegen?
Een voorbeeld. Een paar jaar geleden was ik op het strand in het westen van Sri Lanka. Ik was er een paar weken, en natuurlijk was dat strand mooier dan dat van de Noordzee. Die ongereptheid was wel te danken aan een jarenlange burgeroorlog: de zeemijnen waren kort ervoor verwijderd. Waarom zou ik elke keer als ik op het Hollandse strand tussen de kwallen ligt te genieten gaan denken aan dat strand in de Indische Oceaan en denken: het valt wel tegen?
Ik las pas een interview met Anna Enquist in de Volkskrant waarin zij aangaf dat ze het niet gek vindt dat mensen als ze ouder worden minder blij worden, omdat er van alles van ze afgenomen wordt. Ik mag hopen dat ik zo niet oud wordt. Dat je constant denkt: dit heb ik al gezien. Dit heb ik al gehad. Dit was vorig jaar beter. Er zijn inderdaad heel veel dingen in het leven die minder worden als je ouder wordt, maar er worden ook dingen beter.
Ik moet glimlachen als het stelletje de kleren uitdoet om achter een handdoek in hun zwemkleding te schieten. Dit was toch de generatie die ons de pil heeft gegeven? Misschien zijn ze bang dat iemand er een foto van maakt en die op het internet zet, dat klinkt logisch.
‘Pas op, kwallen,’ zegt de vrouw.
Haar man (denk ik) zegt: ‘Stel je niet aan, we hebben ze wel eens groter gezien.’

Wachten met bakjes

Plaats van handeling: IKEA. Tijd van handeling: een zaterdagochtend. Oorzaak van deze rampzalige planning: daar gaat het nu niet om. Reden: een matras dat niet voor twee personen, maar voor een had moeten zijn.

Ik sta al een half uur in de rij voor de servicebalie een verstandige anderhalve meter afstand te bewaken, als ik zie dat ik een QR-code had kunnen scannen, om sneller toegang te krijgen tot een speciale balie voor retouren. Ik denk “kut” want omdraaien zit er nu niet meer in: alle bewegingsruimte wordt ingenomen door hygiënemaatregelen. 

Voor me staat een vrouw met vier bakjes en een lelijke gloeilamp. Ze moppert als enige tijd dat het lang duurt. Ik hou van mensen die klagen, het draagt bij aan de humor in de wereld. Aan mensen die zaken goed kunnen relativeren heb je verhaaltechnisch geen zak. Ze wordt steeds bozer en ongeduldiger. Na een uur komt de vrouw eindelijk aan de voorkant van de rij aan. Dit is echter de langzame rij, met de moeilijke gevallen, voor mensen die geen QR-codes kunnen scannen. Bij de balie staat een minuut of tien een man. De blauw-gele personen die de klant proberen te helpen fronsen vaak.

Vanuit mijn ooghoek komt een oude vrouw traag aanlopen. Aan haar zijde loopt een blauw-gele medewerker van de IKEA. Ik denk direct: dit wordt lachen, eindelijk wordt het patroon van traag voortbewegende klanten verstoort. Voorpret is de helft van het plezier. Op het moment dat de moeilijk casus is afgerond stapt de IKEA-medewerker naar voren, de oude vrouw in haar kielzog. De vrouw draait zich om en gaat met haar rug tegen het plexiglas op de balie staan. Ze kijkt verdrietig. Voor mij springt de vrouw met de bakjes hinderlijk heen en weer in het beeld. Ze steekt vinnig haar vinger in de lucht. Ik vermoed dat ze vroeger op school niet vaak genoeg een beurt heeft gehad. Er loopt een medewerker langs die meer blauw en minder geel heeft dan de rest. De bakjesmevrouw vertelt woedend haar verhaal. Iedereen staat hier namelijk lang te wachten. In tijden van Corona wordt de grootste egocentrist een oprechte communist. In deze wachtrij moeten we zorgen dat het leed eerlijk wordt gedeeld. De IKEA-medewerker is empathisch goed opgeleid en zegt in mooie woorden dat het op zaterdag inderdaad vaak druk is. 

Ik sta achter haar te gniffelen om deze  klucht. De ouderdom van de vrouw aan de balie is overtuigend. Het theater verkort de mentale wachttijd en na ongeveer tien minuten mag de vrouw haar bakjes en die gloeilamp teruggeven. Even hoop ik dat die lamp op het laatste moment op de tegels kapot valt, maar ze is snel klaar, de IKEA-jongen wijst haar op de QR-code. Ik zie hoe ze rimpels diep in haar gezicht kerft als ze het gebouw uitloopt. Ik moet een half uur later nog glimlachen.

Lippen stiften (fragment)

Dit is een fragment van een verhaal dat nog niet af is.

Op het toneel staan zeven acteurs hun lippen rood te stiften. De zaal is bijna leeg, wat ervoor zorgt dat ik me bijzonder voel. Ik snap er weinig van. Ik hou er ook altijd van om voor te wenden dat ik film begrijp, terwijl iedereen mij glazig aankijkt. Boeken die iedereen al heeft gelezen kunnen mij dan weer niet zoveel schelen. Ik denk niet dat ik interessant probeer te doen, maar ik ben wel graag bijzonder.

Ik voel me hier fijner dan op kantoor. Bij de afdeling Human Resource Management ben ik iedereen te snel af, maar deze acteurs laten mij al minutenlang gissen naar hun verhaal. Mensen stiften hun lippen rood, omdat het dan lijkt alsof de lippen goed doorbloed zijn, wat dan weer het geval is als iemand seksueel opgewonden is. Je leest wel eens iets.

Naast me zit een meisje. In de trein gaan jonge vrouwen meestal niet naast me zitten. Het voelt alsof ik voor hen een bedreiging ben, daar snap ik weinig van. Ze zit naast me in de lege derde rij. Ze ruikt prettig (deels natuurlijk, deels geparfumeerd) , is slank, heeft lang haar en lacht op dezelfde momenten als ik. De andere vijftien mensen lachen als wij stil zijn. Op de voorste rij zitten de buren uit de tijd dat Mariette en ik nog in de nieuwbouwwijk woonden. Ze denken vast dat ik vreemdga. Vreemdgaan is ongeveer het ergste dat je kan overkomen als je in een nieuwbouwwijk woont.

Ik heb mijn linkerbeen uit gewoonte over het rechter geslagen, maar dat been begint nu in te slapen. Ik twijfel of ik van been zal wisselen. Ik ben bang dat ik mij beweeg, dat ik haar aan zal raken. Veertigers horen jonge vrouwen niet aan te raken, daar komt altijd gedonder van. Ik zou het jammer vinden: het is prettig dat ze er is.

Haar lach is fijn. Hij is niet zo provocerend dat hij me aansteekt, maar brengt wel lichtheid in de politiek correcte zaal. Op het toneel hangt een actrice met ontbloot bovenlichaam aan een trapeze. Het lijkt of ze haar schouders uit de kom draait en ik hoor ‘oei’ naast me. Ik zou een hand op haar knie willen leggen, maar laat het. Mijn been begint te prikken en ik besluit om toch maar te wisselen. Ik strek de voet van mijn linkerbeen zo ver mogelijk naar voren en zet ze vervolgens naar elkaar. Het is normaal en natuurlijk, twee benen naast elkaar, maar ik hou er niet van. Onze tip op het werk aan medewerkers als ze krachtiger over willen komen: beide benen op grond, recht zitten en duidelijk praten. Maar hier mag ik zitten zoals ik wil. Ik sla ik mijn rechterbeen over het linker en wat ik vreesde gebeurt: ik tik met de zool van mijn schoen haar bovenbeen aan.

‘Sorry,’ zeg ik.

‘Geeft niet,’ zegt zij en ze legt een seconde lang haar hand op mijn knie. Op kantoor zorg ik er altijd voor dat ik niet alleen in een vergaderzaal ben met vrouwen. Het risico is me te groot dat er over gepraat wordt. Er worden regelmatig mensen om ontslagen of berispt, maar niemand hangt dit aan de grote klok. Op kantoor zijn de mannen al lang niet meer het sterkere geslacht. In deze donkere theaterzaal leg ik mijn hand op haar bovenbeen en voel ik mijn hart in mijn keel kloppen. Haar been is warm en ze giechelt warmte de zaal in.

De strijd van Knausgård

Het is vakantie en ik stort me weer eens op de cyclus Mijn Strijd van Karl Ove Knausgård. Het vijfde deel (Schrijver) bevalt me tot nu toe het best. Niet alleen omdat het aangenaam is om met de destructieve Knausgård in een verhaal rond te dolen, maar bij dit deel is het ook de inhoud van het verhaal die me raakt.
Het brengt me terug naar de fantastische tijd aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. De sadomasochistische ervaring van het constant krijgen van scherpe feedback. Elke keer die pijn die je goed moet blijven pakken. Ik maakte elke week te kleine stapjes om te zien dat ik echt beter werd.
En dan was het steeds weer zoeken naar diepgang, wat dat ook moge zijn. Dan komt ook de twijfel of je zelf wel diepgang hebt als persoon. Gaat het bij schrijven om diepgang of om een gevestigde orde die bepaalt wat goed is? Ik weet het nog steeds niet.
Het maken van drama blijft een rare activiteit. In het echte leven overleef je door problemen op te lossen, in verhalen moeten die problemen zo lang mogelijk blijven bestaan. Dat is een strijd die ik altijd tijdens mijn schrijven zal blijven voeren.
Knausgård is er gekomen en Mijn Strijd is in ieder geval een prachtige cyclus geworden. Ik zie er diepgang in.

Vluchten of vechten

Op die winterse vrijdagavond was het in de provinciestad waar ik opgegroeid ben te vroeg om uit te gaan, maar te laat om nog nuchter te zijn. Ik liep met een tas met de weekwas van het treinstation naar huis. In die tijd mocht dat nog: op je weekkaart reizen op vrijdagavond.
‘Hey homo,’ schreeuwde iemand vanuit het duister. Homo is een prachtig woord in Twente, omdat het zo lekker vol klinkt. Toch weet je als iemand je op die toon aanspreekt dat het niet goed zit. Het maakt dan niet meer uit wie je bent of wat je doet. Ik negeerde de stem en liep stevig door.
‘Je moet godverdomme wel luisteren met je nichtenbek.’
Tussen de huizen was een donkere vlek bij een transformatorhuisje. Voor me schoot een scooter de stoep op, achter me gebeurde hetzelfde. Op beiden zaten twee jongens. Een derde scooter parkeerde naast me, het joch achterop schreeuwde en dreigde uit te halen.
Nou deed ik in die tijd nog niet aan geweld, zelfs niet op recreatieve basis. Ik had me tot op dat moment met humor gered. De woede blijft dan in je lichaam hangen en ik vraag me inmiddels af of dat gezonder is dan af en toe een tik uitdelen.
Ik bleef staan en wachtte op wat er komen ging. Ze leken te wachten op het moment waarop ik de eerste klap zou uitdelen. Waarom ik hier was, of ik op zoek was om iemand in mijn reet te laten neuken, of ik misschien op zoek was naar klappen. Ik moet zeggen dat de argumenten inhoudelijk niet van erg hoog niveau waren, maar het was niet de juiste plek om dit bespreekbaar te maken.
‘Stomme klootzak godverdomme,’ zei de aanvoerder op de middelste scooter, ik denk dat we een minuut of vijf op de donkere plek stonden. Hij haalde uit. De tik op mijn schouder was fysiek niet indrukwekkend, maar er gebeurde wel iets in mijn kop. Achteraf denk ik dat ik op het punt stond om te vluchten of te vechten. Vluchten kon alleen niet meer, dat was me wel duidelijk.
Precies op dat moment kwam er een auto aanrijden. De koplampen zitten in mijn hoofd geprent. De scooters waren ineens verdwenen, ik kan me ook niet meer herinneren dat ik ze heb horen wegrijden.
De tien minuten daarna probeerde ik de adrenaline uit mijn lijf te lopen. Ik kan me oprecht niet herinneren of ik het mijn ouders heb verteld of gewoon gezellig heb gedaan. Dat is ook zo’n goed alternatief voor geweld: gewoon gezellig doen en aardig zijn voor elkaar.