Dus ik sprak

Op kantoor liep ik nietsvermoedend de lift in, haastig omdat ik een kwartier had om in het centrum een broodje te regelen. Zoals vaker in het leven kwam de verbazing voor de walging. De analyse was snel gemaakt: kort voor mij had iemand een stinkende wind in deze lift losgelaten. Mijn weerzin weerhield mij er zelfs van om na te denken over hoe dit geklonken moet hebben, dat kwam later pas. Voor het gemak ging ik er vanuit dat iemand vanuit een diepe gene tot deze daad was gekomen.

Gelukkig hoefde ik maar vier verdiepingen af te dalen. Beneden zette ik direct een stevige stap naar buiten en zoog ik mijn longen vol verse lucht.

Een vrouw op hoge hakken kwam op me afgelopen: rode lippen en een leidinggevende tred. Ik heb ze niet vaak, maar dit was een moment waarop ik blij was met alle cursussen waar ik mijn werkende leven mee ben doodgegooid. Die cursussen die helpen om dingen te zeggen, ook als dit op het moment zelf vreselijk voelt.
Dus ik sprak: ‘Ik zou er niet in lopen als ik u was.’
Ze keek me verwonderd aan.
‘Er heeft net iemand een ontzettend smerige wind gelaten in de lift. En ik was het niet.’
Ik heb haar gezichtsuitdrukking niet gezien omdat ik een broodje nodig had.

Tien minuten later kwam ik terug en rook de hal naar dennenlucht. De leidinggevende had haar werk gedaan.

David en Goliath

De SUV staat achter de mini midden op de weg, er rijden mensen omheen die toeteren. Een ronde vrouw van een jaar of vijftig staat op straat en kijkt naar de achterbumper van de mini. Ze wrijft met haar duim over de lak. Een kleine vrouwtje van een jaar of tachtig kijkt er naar, zucht en zegt: ‘Gelukkig, ik zie geen schade.’
De grote vrouw neemt een hap lucht en zegt: ‘Nou niks. Die vette kras zat er eerst nog niet.’
‘Ik heb niets gemerkt.’ De kleine vrouw herschikt haar bril even als wil ze nog eens goed te kijken.
‘Met zo’n grote bak merk je dat ook niet. Dat is precies het probleem.’
‘Zullen we dit overgeven aan onze verzekering dan maar?’
‘Alsof ik daarmee iets opschiet. De verzekering betaalt nooit alles.’
‘Dat vind ik een wonderlijke aanname, waartoe heb je anders een autoverzekering?’
‘Omdat het moet van de wet mens, daarom.’
‘Ik vind de manier waarop u mij aanspreekt uitermate onaangenaam. Ik probeer volgens mij een fatsoenlijke oplossing te zoeken voor uw probleem.’
‘Jouw probleem bedoel je. Jij ramt met je bak mijn auto, ik niet de jouwe.’
‘Misschien is het beter als we de politie bellen.’
‘Oh ja, lekker makkelijk. Alsof die tijd hebben voor mensen in grote auto’s die andere schade toebrengen en niet willen lappen. Niet normaal.’
‘Dan vullen we gewoon een formulier in en dan zien we wel verder.’ Ze loopt naar haar SUV om het formulier te pakken.
‘Nee.’
‘Geen politie. Geen verzekering. Geen normaal gesprek. Ik merk dat ik langzaam mijn geduld verlies.’
‘Tuurlijk joh. Doen. Met je grote bak.’
De vrouw loopt weg en stapt in haar SUV. Ze start de motor en rijdt een stukje naar achteren. Dan geef ze ineens gas en tikt de mini aan. Het autootje schiet twee meter naar voren. Dan zoeft het raam aan de bestuurskant van de SUV open. Ze zegt: ‘Nou je zin? Trut!’ en rijdt weg.

Busplatform

Een klein meisje rent gehaast over het busplatform bij het centraal station. Ze rent in de richting van een slungelig lang meisje, dat verveeld voor zich uit zit te kijken. Het is zaterdagochtend, zeven uur, misschien dat het daar aan ligt.

Als het lange meisje haar vriendin ziet, staat ze op, net op tijd om haar op te vangen. Ze vliegen elkaar in de armen. Het kleine meisje tilt een knie op en drukt zich stevig tegen haar vriendin aan. Dan slaat ze wellustig een been om haar heen. Het lange meisje perst haar vriendin tegen haar borst en huilt.