Amsterdam

Ik slaap in een hotelkamer zonder stoel of tafel, omdat er geen ruimte voor is. Een eigen wc en douche heb ik wel. Er kan een dakraam open, waar ook dieven door naar binnen kunnen. Dit is Amsterdam.
Douchen doe je met de deur dicht, vanwege het brandalarm. De Duitse jongens die voor mij incheckten vroegen naar de dichtstbijzijnde coffeeshop. Ik slaap niet naakt want het brandalarm gaat vast af vannacht.
Ik betaalde cash een borg van vijftig euro, maar zie niet in hoe ik in deze kamer voor dit bedrag iets kan slopen. Misschien als ik de televisie meeneem en ook de relatief nieuwe wc-pot. Maar de trap is erg steil en er staat een camera op de voordeur. Via het dakraam kan maar ik heb geen idee waar ik uitkom.
Maar dit is Amsterdam dus ben ik in vijf minuten bij Paradiso, Museumplein en binnen een kwartier bij Frascati. Bij het laatste theater zie ik een toneelstuk. Ik zie een bekende acteur in de zaal. Een karakterkop wiens naam ik niet weet maar die Ramses speelt. Het stuk is zo creatief dat het voor mij niet te volgen is. Ik voel me aangenaam cultureel underdressed als ik de zaal verlaat.
Op het tapijt van de hotelkamer zit een bruine bloedvlek in de vorm van een hartje. Als je het ziet, moet je er naar blijven kijken. Is het van een neus, een koppige pukkel of iemand die te veel gesnoven heeft?
Dan ga ik slapen. Het voelt alsof uit het hele gebouw warmte naar mijn kamer komt. Het open raam helpt niet, dus ik lees. En als ik net in slaap gevallen ben gaat natuurlijk dat brandalarm af. Ook dat is Amsterdam.


David en Goliath

De SUV staat achter de mini midden op de weg, er rijden mensen omheen die toeteren. Een ronde vrouw van een jaar of vijftig staat op straat en kijkt naar de achterbumper van de mini. Ze wrijft met haar duim over de lak. Een kleine vrouwtje van een jaar of tachtig kijkt er naar, zucht en zegt: ‘Gelukkig, ik zie geen schade.’
De grote vrouw neemt een hap lucht en zegt: ‘Nou niks. Die vette kras zat er eerst nog niet.’
‘Ik heb niets gemerkt.’ De kleine vrouw herschikt haar bril even als wil ze nog eens goed te kijken.
‘Met zo’n grote bak merk je dat ook niet. Dat is precies het probleem.’
‘Zullen we dit overgeven aan onze verzekering dan maar?’
‘Alsof ik daarmee iets opschiet. De verzekering betaalt nooit alles.’
‘Dat vind ik een wonderlijke aanname, waartoe heb je anders een autoverzekering?’
‘Omdat het moet van de wet mens, daarom.’
‘Ik vind de manier waarop u mij aanspreekt uitermate onaangenaam. Ik probeer volgens mij een fatsoenlijke oplossing te zoeken voor uw probleem.’
‘Jouw probleem bedoel je. Jij ramt met je bak mijn auto, ik niet de jouwe.’
‘Misschien is het beter als we de politie bellen.’
‘Oh ja, lekker makkelijk. Alsof die tijd hebben voor mensen in grote auto’s die andere schade toebrengen en niet willen lappen. Niet normaal.’
‘Dan vullen we gewoon een formulier in en dan zien we wel verder.’ Ze loopt naar haar SUV om het formulier te pakken.
‘Nee.’
‘Geen politie. Geen verzekering. Geen normaal gesprek. Ik merk dat ik langzaam mijn geduld verlies.’
‘Tuurlijk joh. Doen. Met je grote bak.’
De vrouw loopt weg en stapt in haar SUV. Ze start de motor en rijdt een stukje naar achteren. Dan geef ze ineens gas en tikt de mini aan. Het autootje schiet twee meter naar voren. Dan zoeft het raam aan de bestuurskant van de SUV open. Ze zegt: ‘Nou je zin? Trut!’ en rijdt weg.

Verhalen realiseren

Het is een avond voor schrijvers in mijn dorp. We hebben een bestsellerauteur, we hebben er een met een lokaal succesvol kinderboek en we hebben veel schrijvers met boeken over hoe we met mensen zouden moeten omgaan. Er wonen veel psychologen in ons dorp. Het is ook een literair dorp: Boudewijn Büch haalde in de buurt voldoende frustraties op om een oeuvre op te bouwen. En Hermans liet zijn personage door ons dorp rijden. Er is een vrouw die vertelt hoe ze met een stichting gedichten heeft gerealiseerd. Ze plaatsen gedichten op straat en op lege muren.

Wat doe ik hier? Ik heb geen stapel eerste drukken en een tafel. Ik kijk rond, luister en bewonder het doorzettingsvermogen en lef van de anderen. Ik zie schrijvers die extravert en niet sociaal onhandig zijn. Die avond ben ik blij dat ik weer lid ben van de bibliotheek.

Terug naar de avond. Ik vraag me af wat ik ruik. Is het de tafel van robuust hout die onlangs in de olie is gezet? Of is het het blauwe linoleum op de vloer? Bibliotheken ruiken overal ongeveer hetzelfde.

Het is een mooie avond, ook omdat de herfst een stapje terugdoet voor de zomer. Ik krijg zin om gedichten te realiseren op de muur van de dorpskerk: Bukowski in de vertaling van Stella Bergsma of iets van Menno Wigman. Ik krijg zin om een leesclub op te richten, of beter nog een schrijversgilde. Het gilde van de huichelende hoofdpersoon, zoiets. Het blijven onbetrouwbare types, die personages, zeker als je ze een belangrijke rol geeft. Tegelijk heb ik zin om naar huis te gaan om op mijn zolderkamer een nieuw meesterwerk te scheppen. Je plant je er niet door voort, je bouwt er geen maatschappelijk aanzien meer mee op, je wordt er niet knapper of gezonder van en toch blijft schrijven een verdomd fijne bezigheid.