Ik zou spectaculairder willen zijn. Iemand willen zijn die de kunst van het leven goed beheerst, in staat is feilloos gevoelens en behoeften onder woorden te brengen en hier ook naar leeft. Iemand bij wie je er altijd van op aan kan dat hij precies weet wat hij wil en dat hij hier naar handelt.
Het klinkt simpel, maar waarom lukt het mij dan toch vaak niet? Het begint bij de basis: vaak heb ik geen idee wat ik voel en al helemaal niet waarom. Voelen is egoïstisch. En dan heb je als mens ook nog al die behoeftes van Maslov. Als ik die emoties al in beeld had, dan heb je nog zoiets als normen, waarden en dingen die je fatsoenlijk vindt. Niemand zit er op te wachten om als egoïstisch gezien te worden en ik al helemaal niet. Kortom: ik denk te veel na en kom daar niet uit.
Maar is spectaculair leven een kwestie van minder nadenken? En is het juist een kunst om gewoon tevreden te zijn met je leven, zonder te veel na te denken en ook zonder door te schieten in intuïtief gedrag? In balans ben je en als je die balans te veel corrigeert val je. Misschien is blijven zitten spectaculair genoeg.
Tag: column
Terwijl ik verdwijn
Deze opwindende gebeurtenis speelt zich af op een regenachtige zomerdag in een weekend. De locatie van handeling is een hip filmhuis in een grote stad in Nederland. De bioscoopzaal is er zo een zonder de normale rijen stoelen, maar een zaal met stoelen en banken die doen vermoeden dat er een kringloopwinkel leeg is getrokken. Ik haat dit soort zalen en vind ook dat er een waarschuwing zou moeten worden gegeven als je hier een kaartje voor koopt.
De zaal is helemaal leeg en ik denk: ‘Logisch. Met die zaal.’ Krijgen die anderen dan wel een waarschuwing? Deze onzinnige gedachten verdwijnen als tijdens de reclames een stelletje binnen komt schuifelen. Ze gaan een paar zitjes achter het mijne zitten. En dat vergeet ik nog te zeggen, op sommige bankjes liggen zelfs dekentjes, ondanks dat het buiten warm en broeierig is.
De film begint. Het verhaal gaat over een meisje op een school in het oosten van Europa. Ze wordt streng christelijke opgevoed en door religie beperkt in haar ontwikkeling. Gelukkig zijn de meiden in haar koor meer bij de tijd. Tijdens een weekend weg met dit koor ontdekt ze haar eigen seksualiteit via de andere meiden, en een paar bouwvakkers die in de buurt aan het werk zijn. De beelden en het geluid zijn prachtig. Het voelt alsof je haar op de huid zit.
Achter mij hoor ik na een half uurtje geluiden. Nu ik het zo schrijf denk ik zelf ook: daar kon je op wachten, maar op het moment zelf denk ik dat het stelletje chips aan het eten is. Dat gebeurt vaker in een bioscoop. Het is wel zo dat ik vooral het smakken hoor en minder het kraken. Ze maken meer herrie als het geluid van de film harder is, maar vergeten na een tijdje ook om te pauzeren tijdens de rustige stukken. Kortom: het wordt gênant. Ik zwijg. Ik ben er het type niet voor om de passie van anderen te verstoren.
De film heeft een wat rare aftiteling. De namen van de betrokken mensen komen in beeld, maar we zien ook nog steeds de hoofdrolspeelster om zich heen kijken. Wanneer is de film afgelopen?. Er zal vast een diepere betekenis achter zitten, maar het effect is vooral dat ik lang blijft zitten. Pas als de aftiteling een zwart scherm met witte letters wordt en het zaallicht een beetje aan gaat, sta ik op. Ik loop naar de deur en zie twee rode gezichten onder een deken vandaan kijken. Een tot diep in de lies bloot vrouwenbeen steekt onder het dekentje uit. De vier ogen volgen me terwijl ik verdwijn.
Lopend door de warme, maar druilerige stad weet ik niet wat ik moet voelen. Jaloezie voor de onstuimige jeugdige verliefdheid van die twee of ergernis omdat ik daardoor minder ontspannen naar de overigens prachtige film heb kunnen kijken. Het voelt ook alsof ze de film bevlekt hebben, omdat het eigenlijk een heel erg gevoelige film is met niet meer dan een opwindende ondertoon. Ik besluit om nooit meer in een kringloopzaal te gaan zitten. Ik besluit om volgende keer toch af en toe om te kijken: waarom ook niet? De waarheid kan nooit zo heftig zijn als wat ik er in mijn hoofd van gemaakt heb.
Normatief
De laatste jaren hoor je steeds vaker – met name in de politiek als ons lichtend voorbeeld in omgangsvormen – dat iemand moet normeren. Dit gebeurt meestal als iemand iets onfatsoenlijks zegt. Dat gedrag pikken wij niet. Dat hoort niet en daar spreek je dan iemand op aan. Ik heb hier weinig moeite mee, zeker omdat het vaak gaat om situaties waarin iemand een bewust plan heeft om vormen van extremisme te normaliseren. De uitingen zijn dan in strijd met de waarde die ik hecht aan een open maatschappij waarin iedereen zichzelf kan zijn.
Toch zit er het risico in, namelijk dat je in een vloek en een zucht weer terug in de jaren vijftig van de vorige eeuw bent. Weet je nog? De tijd waarin een eeuwenoud boek ons leven bepaalde. Dat moeten we ook weer niet hebben. Dan is het weer zaak om hier tegen in het verweer te gaan en juist deze norm op te heffen.
In deze strijd voor een open land, is de formulering met het achtervoegsel normatief kansrijk. Hiermee stel je een norm expliciet ter discussie met een licht verwijtende ondertoon. Het meest bekend is hetero-normatief, dat de vanzelfsprekendheid van een klassieke manier van samenleven ter discussie stelt.
Maar ik zou het achtervoegsel breder willen inzetten. Er zijn meer zaken die een realiteitscheck nodig hebben. Ik denk aan tweeouder-normatief. Veel kinderen groeien perfect op met meerdere ouders. Gewelds-normatief. We vinden het niet raar meer als iemand op televisie in elkaar wordt geslagen. Vrouwentepelvrees-normatief. Van een vrouwtepel schieten we in de stress, terwijl die van de man ongemoeid wordt gelaten. Toch raar: velen van ons zijn er groot mee geworden.
Eigenlijk kan je het zo gek niet bedenken of je kan kritisch normatief naar kijken: geld-normatief, omzet-normatief, monogamie-normatief, voortplant-normatief, welvaart-normatief, individualisme-normatief en ga zo maar door.
Laten we dit doen. Laten we dit achtervoegsel vaak gebruiken om de sluipende verandering in de maatschappij waarbij normen worden gebruikt om elkaar de maat te nemen om te buigen naar een situatie waarin het ter discussie stellen van normen een goed gesprek oplevert over waarden waar we als mensen aan hechten.
Niet delen uit angst
Hebben jullie dat nu ook? Dat wij mensen jaloezie soms als een goede emotie zien? Dat het er bij hoort dat je af en toe jaloers op elkaar bent? Sterker nog dat het nodig is om dit te zijn, omdat je anders niets om die ander geeft? Aan dit verschijnsel heb ik me eigenlijk mijn hele bewuste leven geërgerd. Alsof het goed is om een ander iets niet te gunnen.
Gelukkig kon ik onlangs een nieuw woord aan mijn vocabulaire toevoegen en dat is compersie. Dit is het tegenovergestelde van jaloezie. De definitie is: het gevoel van vreugde of blijdschap dat je ervaart wanneer je partner plezier, liefde of intimiteit deelt met iemand anders. Hij kwam langs in de film Jimpa en kort erna in de film The Invite. En ander woord is het jaliefgevoel.
Het is een term die pas in de jaren tachtig is ontstaan en is afkomstig uit de polyamorie (of zegt men dan in een adem door ethische, non-monogamie. Boeiende termen, maar dit laat ik even zitten). Dat het niet een term uit de katholieke kerk is, was me al helder, maar ik denk dat het breder toepasbaar is dan enkel in liefdesrelaties. Ik vind het begrip universeel krachtig, omdat ik me niet kan voorstellen welke redenen er zijn om jaloezie te verkiezen boven compersie. Maar zo werkt het natuurlijk niet met emoties. Jaloezie is een emotie – lees ik dan weer ergens anders – die ontstaat uit een mix van onzekerheid, angst (om iets of iemand te verliezen), verdriet en boosheid. Dit klinkt niet als iets waarvan je op een dag zegt: ik kan wel zonder. Aan de andere kant is het gevoel als je iemand anders iets gunt ook groots.
Maar laten we eens breed naar deze tegenhanger van jaloezie kijken. We zijn volgens mij als wereld collectief jaloers op elkaar. Aan de rechter kant van het politieke spectrum is men jaloers op asielzoekers, aan de linkerkant op de mensen die rijk geboren zijn of een succesvolle ondernemer zijn. We zijn daarbij vooral bang dat er niet genoeg voor onszelf is, met als effect dat de welvaart slecht verdeeld is. Als we allemaal elkaar wat zouden gunnen, dan is er genoeg voor iedereen om aan de basisbehoeften te voldoen. Maar jaloezie is die angst om te weinig te hebben, dus niemand is tevreden met zijn basis.
Maar laten we klein beginnen. Hoe vaak handel jij uit jaloezie? Of eigenlijk vanuit de angst om iets te verliezen? En kijk dan eens met het woord compersie in jet hoofd naar die situatie. Misschien is die handeling een begin van de afname van heel veel onrecht in de wereld. En hoop is een prachtige tegenhanger van angst.
Laten we ons niet meer afsluiten
De naargeestige parkeerplaats in Duitsland is verlaten. Ik zie beton, hoge uitkijktorens en immense hallen. Er staan bordjes bij met uitleg en er worden boekjes verkocht. Op dit terrein langs de A2 werden vroeger mensen gecontroleerd die niet van oost naar west mochten. We zijn even terug in de tijd en ik zet mijn camera op zwart-wit. Ik sta in de geschiedenis, maar tegelijk is deze omgeving beklemmend actueel.
Ik heb een hekel aan grenzen. In de herfstvakantie werd ik op Schiphol bij de slurf gecontroleerd omdat ik uit Italië kwam, en voelde ik een kriebel opkomen. Bij de grens met Duitsland sta ik elke keer in de file. Elke keer moet ik alert zijn dat ik de stukken van de rechtbank paraat heb, zodat ik kan aantonen dat ik mijn pleegzoon – die fysiek niet op mij lijkt – niet ontvoer. We worden zelden gestopt, maar het jeukt wel.
Grenzen staan voor mij vooral voor angst voor het vreemde. Angst voor de vluchteling die onze welvaart komt ondergraven. Angst voor de terrorist die in Duitsland naar een kerstmarkt gaat. En natuurlijk is die angst er niet altijd voor niets, maar lost het dichtgooien van een grens iets op? Of maakt dit ons alleen maar banger?
En als we die grens vertalen naar de omgang die wij met elkaar hebben? Ja, soms moet je grenzen aangeven, maar of het nu om je partner, kind of collega gaat: vertrouwen in elkaar en een constant gesprek over behoeften is belangrijker. Als de muren omhoog gaan en grenscontroles in een relatie komen, kun je beter stoppen.
Tegelijkertijd gaan mensen soms ook over je grenzen heen. Zo stond ik laatst op een groenstrook in ons dorp met een zakje met een zachtwarme bolus van onze hond in mijn hand. Ik wil helemaal geen hond, maar mijn vrouw en kinderen (de baasjes) wel. Het hoort erbij: als je grensoverschrijdend wil denken moet je ruimte durven te nemen en te geven.
Terug naar het zomerse beton in Duitsland. Er waren destijds niet veel mensen die deze grens wenselijk vonden. Toch merk je nog altijd dat de twee Duitslanden erg van elkaar verschillen. De splitsing is een litteken dat altijd zichtbaar blijft. Openheid en kwetsbaarheid brengen ons verder dan begrenzen. Soms is het even nodig, maar dan kort graag.
Dit artikel verscheen eerder in Kortom – het personeelsblad van het Rijksvastgoedbedrijf.
Liefs
Zou je zo met een familielid omgaan, vraag ik me vaak af als ik zie hoe mensen met elkaar omgaan. In de digitale wereld, maar ook steeds vaker op straat. Zou je zo durven denken over iemand die je liefhebt? Nee toch – maar waarom doen we dit dan wel bij mensen die we minder goed kennen?
Ik denk dan aan mensen die in een gevangenis zitten (het is hier geen hotel). Of iemand die om welke reden dan ook in Nederland een beter bestaan denkt op te bouwen (profiteur). Of aan een bekende Nederlander, zoals Joost Klein die het net allemaal anders doet (rare vent).
Afgunst is denk ik een belangrijke reden. We zijn geen gidsland meer waar afwijken van de norm inspirerend is, maar we zijn een land geworden waarbij afwijken van de norm duidt op iemand die het beter heeft dan jezelf. We zijn jaloers geworden op de vrijheid van een ander en niet blij met onze eigen verworven vrijheid.
Ook zijn we verleerd om ons oprecht te verdiepen in een ander. Op school kom je elkaar niet meer tegen. Op datingapps zoekt je direct iemand die bij je past (en niet iemand die de ongemakkelijke vragen stelt) en cultuur schaffen we af want fictie is iets van vroeger. Wij geloven lieven in de werkelijkheid dan dat we ons verdiepen in de beweegredenen van een ander.
Cynisch? Misschien. En daarom is het goed om jezelf altijd de familievraag te stellen. Die persoon waar ik nu abstract over zit na te denken en waar ik een oordeel over heb, zou ik die ook zo beoordelen als ik die persoon intens lief had? En wat is er mis om vanaf nu te doen of ik hen allemaal lief heb – tot het tegendeel is bewezen?
Olifanten en paadjes
Al jaren erger ik me kapot aan de manier waarop wij onze openbare ruimte inrichten. We kijken eerst naar de auto, vervolgens naar de fiets en als er nog tijd over is naar de lopers. Laat die lopenden maar in de regen sjokken, denken we. De automobilist zet ondertussen de ruitenwisser een standje hoger en rijdt door een plas waardoor er water over die voetgangers heen spat. Pisnijdig word ik hiervan. Zo moeilijk is het toch niet om voetgangers voorop te zetten?
Zo is onlangs een van mijn vaste stations aangepast. Er was een tijd dat je vanaf het treinperron in een bijna rechte lijn naar de bus kon lopen. Mensen die echt last hadden van omloopallergie konden zelfs via de middenberm de weg oversteken. Dat is prettig en soms noodzakelijk omdat trein en bus niet op elkaar wachten. Beide vervoersvormen verdienen hun eigen geld en werken dus niet samen.
Nou is de boel onlangs opnieuw ingericht. De snackkar is in een tuttig designtentje gedrukt, rode tegels hebben de 30×30 betonsnit verdreven er is uiteraard gekozen voor heel erg veel groene hekken van – daarover later meer – iets boven scrotumhoogte. Gevolg is dat wij voetgangers meer dan dubbel zo lang onderweg zijn van trein naar bus. Uiteraard loopt die dwangroute via het designkraampje want de gestegen huur moet terugverdiend worden.
De eerste keer dat ik de nieuwe inrichting zag, werd ik pissig en besloot deze nieuwe absurde realiteit te negeren. Gevolg was dat ik bleef hangen op het hek (u weet van welke hoogte) en mij bezeerde. Om mij heen begonnen auto’s driest te toeteren. Auto’s zien hekken en denken: gas erop!
Kortom de keer erop volg ik de designroute. En weer gaat een stuk van mijn vrijheid naar de knoppen. En weer is er een deel van mijn dag weg, omdat ik in de pas moet lopen. En weer is er een moment dat ik niet kan beslissen hoe ik met mijn eigen leven om wil gaan. U merkt het – het zit mij hoog.
We zouden in Nederland de olifantenpaadjes (zoals die officieel worden genoemd) moeten koesteren. Op straat, maar al helemaal op kantoor. De mens wil graag zo snel mogelijk naar zijn bestemming, zeker als het doel in zicht is. Laat ons ervoor waken dat we onszelf niet verstikken met allerlei procedures, werkwijzen, standaarden en systemen die hekken zijn en geen logische paadjes. Laten we elkaar stimuleren om de beste weg te zoeken en als het nodig is gewoon over hekjes te springen.
Wat ik nog niet weet is of wij in deze vergelijking automobilisten zijn, fietsers of lopers, of elke dag weer iemand anders. Wat ik wel weet, is dat als je iets probeert je soms pijnlijk op een hek belandt. Diep inademen helpt dan. En ik hoop dat op dat moment niet een auto toetert, maar dat de bestuurder stopt en vraagt: ‘Gaat het?’.
Dit artikel verscheen eerder in een iets andere vorm in Kortom – het personeelsblad van het Rijksvastgoedbedrijf.
Vies zakje
De trein is redelijk vol en op een stoel heeft een viespeuk een zakje van een broodje laten liggen. Iedereen passeert het zitje voor twee en loopt door, ondanks dat er verder geen plek meer is. Ik wil zitten en de stoelen zijn ook nog eens in de rijrichting gepositioneerd. Dat is niet echt belangrijk, maar als ik toch kan kiezen vind ik dat altijd prettig.
Ik raak het zakje met mijn vingertoppen aan en til het op. Ik denk aan de vieze ongewassen stinkende man van eind zestig die met zijn volle handpalmen waarop nog de krakende resten van zijn ochtendlijke masturbatiesessie zitten, een broodje bal met te veel mayonaise naar binnen heeft gewerkt. Hoe hij de rest van de saus met zijn wijsvinger naar binnen schuift. Ik zie geen saus op het zakje maar in mijn hoofd heeft het er wel gezeten.
Met dit alles in mijn hoofd loop ik naar de dichtstbijzijnde prullenbak. Waarom hebben tweezitters niet gewoon een afvalbakje? Het is een gênant gebeuren. Mensen denken natuurlijk dat het zakje van mij zelf is. Voor het nette had ik het zakje nog even na moeten duwen omdat hij weer terugsprong uit de afvalbak. Maar ik doe dat niet. Een hoekje steekt er nog uit als ik de klep met veel lawaai dicht laat vallen.
Als ik mij omkeer is mijn plaats gelukkig nog onbezet. De mensen kijken me aan alsof ik een paria ben. Die mijnheer die zakjes van anderen opruimt. De man die vieze zakjes vastpakt. Zakjes van mensen die vies eten.
Hittestress
Ik zit op een hotel niet ver van Hamburg op een leeg terras. Het is zomer en de warmte van de gebouwen straalt op me af. Ook de tegels geven nog niet toe dat het nu echt avond is. Daar is een mooie term voor: hittestress, dit is het moment dat de hitte niet meer uit onze versteende omgeving kan ontsnappen.
Ik hou van leegte na een dag in de auto met vrouw en kinderen. Ik vind mensen interessant, maar even zo vaak ook vreselijk vermoeiend. Doordat wij een diersoort zijn die kan denken, kunnen we ook constant bezig met de consequenties van ons handelen en daardoor juist raar te ver doordacht gedrag gaan vertonen. Denk aan de eenzame man die maar niet op zoek gaat naar de liefde. Denk aan de jonge vrouw die onhandig aanspraak zoekt bij de kassa van een supermarkt omdat ze eigenlijk de man achter de kassa wil zoenen. Denk aan iedereen die niet zegt wat hij wil. Dat is menselijk en menselijk interactie is mateloos interessant.
Die avond lees ik een boek om rust te voelen. Het verhaal van een ander geeft vaak perspectief. Twee oudere mensen komen het restaurant uit, waarschijnlijk op weg naar hun kamer in het hotel. De man zegt in het Duits dat hij nog even gaat roken. Hij neemt plaats op de stoel naast me. Hij kiest niet voor de andere veertien lege stoelen.
De man praat over het weer en ik geef langs mijn boek kortaf antwoord. Hij poneert iets over klimaatverandering en iets met vroeger en de SPD, terwijl hij ondertussen met nerveuze halen zijn sigaret wegwerkt. Het stinkt. Ik stoor me aan mijn eigen intolerantie. Waarom kan ik niet tien minuten rustig aan doen en deze man een goede avond geven? Is mijn boek belangrijker dan zijn behoefte aan een praatje? Is juist het onhandige contact niet dat wat ons mens maakt?
Even later knikt hij vriendelijk en loopt weer het hotel in. Ik denk dat hij het gevoel heeft een fijn praatje gehouden te hebben met iemand die – getuige het boek – enigszins over het leven nadenkt.
Ik denk dat het goed is dat wij als mensen na kunnen denken over de consequenties van ons handelen. Ik denk dat het goed is om soms tien minuten even rekening te houden met een ander en te luisteren. Ik denk dat lezen voor ieder mens er goed is, maar af en toe een paar pagina’s minder kan geen kwaad. Stress moet je er niet van krijgen.
Nou nou
Op een maandagochtend worden wij in een sprinter tegen elkaar gedrukt. De trein rijdt het station van de stad binnen. Je kunt aan ons alle vier zien dat we geen zin hebben om ons na het wilde weekend te schikken in de regels van de kantoortuin.
De trein is overvol en daarom staan we tegen de deur gedrukt. Een vrouw stift haar lippen, naast haar zwijgt een jongen met veel haar en tegen het klapstoeltje hangt een man van een jaar of zestig met de bril van een architect. Ikzelf wiebel wat heen en weer. Ik hou niet van stilstaan: dat is achteruitgang.
De vraag die me in deze prikkelrijke omgeving bezighoudt is: stap ik als eerste de trein uit of laat ik het aan een van hen? Het is net de slag om de ruimte. Ik vind dat ruimte geven belangrijker is dan ruimte nemen. Denk een moment aan de liefde: hoe kan je die ooit krijgen als je niets geeft? Toch heb ik mezelf nog geen half uur geleden de volle trein in geperst, ondanks dat de man met de architectenbril ‘Nou nou’ mompelde.
Forenzen duwen me in de rug en ik bedenk dat het zuur is dat individualisering ertoe leidt dat we anderen minder gunnen, in plaats van dat we er samen meer van maken.
Inmiddels remt de trein af en staan wij als pinguïns op een losgeslagen ijsschots te wiebelen tot hij schokkend tot stilstand komt. De dame trekt haar lip in een grijns en drukt kribbig op de knop, de zestiger kijkt nerveus naar buiten en de behaarde jongen zwijgt.
Zodra de deur opent, stapt de zestiger gedecideerd naar buiten, gevolgd door de jongen. De vrouw moet even bijkomen van de schouderduw die ze kreeg en stapt naar buiten. Ik schuifel haar achterna. Het perron staat vol met ongeduldig wachtende mensen. Klaar om zich de trein in te persen.
Dit artikel verscheen eerder in De Basis – het personeelsblad van de ministeries van BZK en VRO.