Op een doordeweekse dag loop ik door het prachtige Gent. Gewoon omdat ik zonder persaccreditatie of studentenvisum het Filmfestival Film Fest Gent bezoek. Omdat ik er uit moest. Omdat ik nood had aan Vlaams bier, een hotelkamer voor mij alleen en bovendien aan heel veel nieuwe films die vaak de bioscoop in Nederland niet zullen halen.
Het zit hier barstensvol met studenten. Het zijn er misschien nog wel meer dan in Groningen, waar ik zelf een paar vermakelijke jaren heb mogen doorbrengen. Ik struikel over de fietsen en de fietsers over mij. Het is heerlijk om tussen mensen te verblijven die hun leven nog voor zich hebben. Mensen die plannen maken. Mensen die de wereld beter willen maken. Natuurlijk zijn die er op latere leeftijd ook nog, maar het wordt nooit meer zo vanzelfsprekend als toen.
Op een avond ben ik bij de publiekspremière van de film ‘Jonah Was Here’. Dit is een prachtige film die zich afspeelt in datzelfde studentenleven in diezelfde stad Gent. Een vader kan niet leven met de dood van zijn studerende zoon en houdt krampachtig vast aan het kot. Hij verdiept zich manisch in het leven van de jongen. Het is een indrukwekkende film geworden.
De film en het verblijf daar maakt mij nostalgisch, weemoedig en zorgt voor een golf heimwee naar vroeger. Het is raar om niet naar een kot te gaan, maar naar mijn kille hotelkamer. Niet dat mijn leven nu niet goed is, maar ik zou soms – als op de televisie – willen zappen tussen verschillende fasen in mijn leven. En ik denk dat ik dan vaak bij het kanaal met mijn studententijd zou blijven hangen. Vervolgens zap ik terug naar het nu en neem ik alle inspiratie die ik kan dragen mee: want wij moeten verdomme constant blijven proberen om deze wereld mooier te maken. Het kan niet anders.
Tag: kort verhaal
Ode aan alcohol
De laatste tram die door de Schilderswijk in Den Haag rijdt is vrijwel leeg. Soms drink je een paar borrels, vergeet je de tijd en heb je het geluk dat je een andere route moet volgen dan je gewoon bent. Een halve coupe voor me zit een oude man ritmisch te vloeken. Het is enerzijds intimiderend, aan de andere kant geniet ik er ook van. Hij kijkt lodderig uit zijn ogen.
Hij zegt: ‘Fuck you. With your live.’ Hij kijkt naar niemand in het bijzonder, misschien wel naar zijn eigen spiegeling in de ruit. Hij gaat door: ‘Fuck everybody.’ En dan: ‘Waarom stopt die kuttram niet?’ Hij had op het rode knopje moeten drukken. De volgende halte is pas over een minuut of vijf.
We staan samen bij de deur als de trein de halte in rijdt. Hij kijkt me aan en zegt: ‘Sorry’ en lacht hard. Hij zegt: ‘Wat doe ik hier? Het is ook elke keer raak godverdomme.’ Hij stapt uit en graait onverschillig in de eerste afvalbak die hij tegenkomt.
Ik loop door naar het treinstation. Op het perron zit een stelletje. De jongen in pak heeft een arm om een meisje met een kort rood jurkje. Zijn blonde haar sprint warrig uit zijn hoofd en de dame heeft haar gitzwarte haren in een hoge paardenstaart verstopt. Ik kijk langs hen heen naar het bord met de treintijden: nog vijf minuten.
‘Natuurlijk wil ik je nog wel zien,’ zegt hij met een dubbele tong. Zij huilt en zegt ‘Fuck you’, maar blijft wel tegen hem aan zitten. Hij neemt een hap van zijn Turkse pizza en kauwt er lang op.
De laatste trein rijdt het station binnen en ik ben gelukkig. Ik ben opgelucht omdat ik de trein nog net te pakken heb gekregen. Ik ben blij omdat ik vanavond meer heb gehoord, dan ik normaliter gehoord zou hebben. En dat heb ik die avond toch echt aan alcohol te danken.
Terwijl ik verdwijn
Deze opwindende gebeurtenis speelt zich af op een regenachtige zomerdag in een weekend. De locatie van handeling is een hip filmhuis in een grote stad in Nederland. De bioscoopzaal is er zo een zonder de normale rijen stoelen, maar een zaal met stoelen en banken die doen vermoeden dat er een kringloopwinkel leeg is getrokken. Ik haat dit soort zalen en vind ook dat er een waarschuwing zou moeten worden gegeven als je hier een kaartje voor koopt.
De zaal is helemaal leeg en ik denk: ‘Logisch. Met die zaal.’ Krijgen die anderen dan wel een waarschuwing? Deze onzinnige gedachten verdwijnen als tijdens de reclames een stelletje binnen komt schuifelen. Ze gaan een paar zitjes achter het mijne zitten. En dat vergeet ik nog te zeggen, op sommige bankjes liggen zelfs dekentjes, ondanks dat het buiten warm en broeierig is.
De film begint. Het verhaal gaat over een meisje op een school in het oosten van Europa. Ze wordt streng christelijke opgevoed en door religie beperkt in haar ontwikkeling. Gelukkig zijn de meiden in haar koor meer bij de tijd. Tijdens een weekend weg met dit koor ontdekt ze haar eigen seksualiteit via de andere meiden, en een paar bouwvakkers die in de buurt aan het werk zijn. De beelden en het geluid zijn prachtig. Het voelt alsof je haar op de huid zit.
Achter mij hoor ik na een half uurtje geluiden. Nu ik het zo schrijf denk ik zelf ook: daar kon je op wachten, maar op het moment zelf denk ik dat het stelletje chips aan het eten is. Dat gebeurt vaker in een bioscoop. Het is wel zo dat ik vooral het smakken hoor en minder het kraken. Ze maken meer herrie als het geluid van de film harder is, maar vergeten na een tijdje ook om te pauzeren tijdens de rustige stukken. Kortom: het wordt gênant. Ik zwijg. Ik ben er het type niet voor om de passie van anderen te verstoren.
De film heeft een wat rare aftiteling. De namen van de betrokken mensen komen in beeld, maar we zien ook nog steeds de hoofdrolspeelster om zich heen kijken. Wanneer is de film afgelopen?. Er zal vast een diepere betekenis achter zitten, maar het effect is vooral dat ik lang blijft zitten. Pas als de aftiteling een zwart scherm met witte letters wordt en het zaallicht een beetje aan gaat, sta ik op. Ik loop naar de deur en zie twee rode gezichten onder een deken vandaan kijken. Een tot diep in de lies bloot vrouwenbeen steekt onder het dekentje uit. De vier ogen volgen me terwijl ik verdwijn.
Lopend door de warme, maar druilerige stad weet ik niet wat ik moet voelen. Jaloezie voor de onstuimige jeugdige verliefdheid van die twee of ergernis omdat ik daardoor minder ontspannen naar de overigens prachtige film heb kunnen kijken. Het voelt ook alsof ze de film bevlekt hebben, omdat het eigenlijk een heel erg gevoelige film is met niet meer dan een opwindende ondertoon. Ik besluit om nooit meer in een kringloopzaal te gaan zitten. Ik besluit om volgende keer toch af en toe om te kijken: waarom ook niet? De waarheid kan nooit zo heftig zijn als wat ik er in mijn hoofd van gemaakt heb.
Foto’s tot leven gewekt
Het heeft even geduurd, maar deze zaterdag heb ik de tijd gevonden om naar het nationale fotomuseum in Rotterdam te gaan. Ik voel me er direct thuis. Het is prettig hoe het pakhuis – wat toch een distributiecentrum van vroeger is – tot leven is gewekt.
Na binnenkomst word ik direct overweldigd door de overdosis aan foto’s die op me af komt. Ik zie gelukkig weinig tekst: een goed beeld behoeft geen essay.
Op een tussenwand van een meter of twee in een verder metershoge zaal hangen foto’s van het Rotterdam van vlak na het bombardement. Gaza is niet nieuw, bedenk ik. De inrichting van de zaal doet me denken aan de spoedopvang voor asielzoekers: wandjes geven de illusie van intimiteit maar ondertussen hoor ik iedereen in de hal in een grote kakofonie tegen elkaar kletsen. Ik schrik als er een meisje van een jaar of veertien uit een kader stapt. Even denk ik dat een foto tot leven is gekomen, maar dan zie ik de decoratieve gaten die in de tussenwand zijn aangebracht.
Een paneel verder hangen zes keer acht pasfoto’s van Anne Frank . Anne met vrolijke blikken. Ze lacht zo veel dat de kiekjes nu niet toegelaten zouden worden voor een paspoort. Zouden dit originelen zijn of kopieën? Hoe werkt dat eigenlijk bij fotografie in een museum? Die kan je toch eindeloos opnieuw afdrukken? En is het dan nog wel kunst?
Overprikkeld door beelden sta ik later in de betonnen kelder. Ik pak mijn tas uit een kluisje dat nog niet op slot kan. Ter afsluiting plak ik mijn entreesticker bij de velen voor mij op een betonnen muur. Wij kijken niet alleen kunst, we maken het ook zelf.
Ik kan zoveel doen
Hier voel ik de wind in mijn haren en de bescheiden zon op mijn gezicht. Er was kans op nachtvorst maar later deze week zou die kans afnemen.
Als ik twee dagen met de auto goed doorrij kan ik de drones en raketten zien vallen.
Als ik drie kwartier met de trein ga kan ik zien hoe mijn zusje haar eerste chemo krijgt.
Als ik tien kilometer zou kunnen stijgen zie ik hoe honderden satelieten een nieuwe strijd uitvechten over wie in de ruimte de langste heeft.
Als ik dan naar beneden zou kijken zou ik zie hoe magisch groen de aarde is. Hoe uniek. En hoe kwestbaar.
Ik zou zoveel meer kunnen doen.
Toch sta ik hier en wacht op de bus terwijl de wind bescheiden waait en de zon mijn gezicht verwarmt.
Bedreiging
Ze keert zich ineens om, kijkt me aan en blaft: ‘Waarom loop je niet door?’ We staan samen op de stoep. Een aantal straatlantarens is uitgevallen. Dit verval van de collectiviteit zie je vaker in ons dorp waarin veel mensen rijk zijn en daarom buitensporig veel energie steken in het betalen van zo min mogelijk belasting. Ik ken de vrouw niet. Net liep ze nog voor me en was ik nog bezig een beleefde afstand aan te houden, zoals dit hoort bij vrouwen als de zon onder is.
‘Waarop loop je niet door?’ vraagt ze nog een keer aan me, terwijl ze een stap mijn richting op doet. Ik vind het intimiderend. Ze komt in mijn zone en daar heeft ze niets te zoeken. Ik bepaal wie er bij mij in de buurt komt, en tegelijk ruikt ze lekker. Haar geur is een parfum dat aangenaam gemixt is met menselijkheid en ik meen ook wat alcohol te ruiken, ik denk een stevige IPA gezien de hoppige tonen.
Ik ben bijna thuis. Ik was achter haar blijven lopen omdat als ik haar had ingehaald ik haar had moeten afsnijden om bij mijn voordeur rechtsaf te slaan. Tussen mij en mijn voordeur wacht zij op antwoord.
‘Kijk me aan.’ Erg vriendelijk vind ik haar niet, maar bang ben ik ook niet. Als ik een vrouw was zou ik misschien om me heen kijken en opties afwegen. Zou ik gillen? Ergens aanbellen? Wegrennen? Haar een tik geven?
‘Waarom?’ Ze blaf niet meer maar schreeuwt. Ik ben bang dat de buurman naar het raam komt. Dan toch maar antwoorden. ‘Ben bijna thuis.’
‘Oh. Waar woon je dan?’ Ik word moe van haar vragen. Ik heb tot laat gewerkt en ben kapot. Ik wil voor de televisie zitten en zoutloze talkshows kijken. Ik wil niet met mensen praten, dat doe ik de hele dag al.
‘Gaat je niet aan.’
‘Wel als je hiermee kan bewijzen dat je niet van plan was in het donker achter me aan te sluipen.’
‘Niet.’ Ik voel me net een kleine kleuter die bij de juf moet komen omdat hij iets doms heeft gedaan.
‘Dus?’
‘Loop door, dan kan ik naar huis.’
Ze doet een stap naar achteren en ik blijf staan. ‘Loop dan!’ roept ze. Ik zie nu pas dat ze een grijns op haar gezicht heeft. Ze maakt een handgebaar dat ik haar kant op moet komen. Ik doe een stap naar voren en zij een naar achteren.
Als ik voor mijn deur sta spring ik naar rechts, steek de sleutel in het slot, duik naar binnen en gooi de deur achter me dicht.
Buiten hoor ik haar had lachen. ‘Lafbek!’ schreeuwt ze giechelend.
Ik zit op de trap en voel mijn hart in mijn keel.
Wat een dag
Een oude vrouw die bij een eerste aanblik in zwart-wit lijkt te zijn gefotografeerd staat met een voet op de lijn waarop staat ‘rookvrije zone’. Gehaast werkt ze een sigaret weg . Zou dit in het Guiness World Records boek staan? Hoeveel trekken er minimaal nodig zijn om een sigaret te roken?
(En dan ga ik toch even googelen. Er was bijna een record van ene Stefan Sigmond in 1996. Hij deed iets minder dan zes minuten over 800 sigaretten. Het werd echter geweigerd aangezien de poging gevaarlijk en ongezond is. En ineens moet ik denken aan eetwedstrijden en records, maar ik stop met Google.)
Aan de hand van de vrouw hangt een tas van Rituals. Ik zie voor me hoe ze aan het einde van een te lange werkdag haar op vergulde pootjes rustende ligbad vol laat lopen, de wolk van eucalyptus inloopt, het schuim met een hand opklopt en zich langzaam in het water laat zakken. De peuk die ze nu in haar mondhoek heeft hangen krijgt beduidend meer tijd om tot haar longen door te dringen. Ze zucht en zegt: ‘Wat een dag.’
Impulsiviteit en empathie
Enkele weken geleden zat ik op een bankje op station Breda te wachten op mijn aansluiting. Op mijn hoofd had ik, denk ik, wat stevige muziek aanstaan. Laten we zeggen de laatste van Dream Theater. Op een gegeven moment zie ik hoe een vrouw van een jaar of twintig een bankje verderop gaat zitten. Een wat oudere smoezelige man vraagt haar wat en zij antwoordt beleefd. Even later schuift hij meer haar kant op. Aan alles kan je zien dat zij hier niets van moet hebben.
Ik laat dit gebeuren, hoewel ik echt wel weet hoe het er – ook zonder geluid – uit ziet als een vrouw niets van je moet hebben. Op een gegeven moment staat ze op en gaat ze bij een leeftijdgenoot zitten. Ze praten samen het ongemak weg.
Een paar weken later zit ik in de laatste bus. Er stapt een jongen in en hij laat zijn lege telefoon zien aan de chauffeur. De man schudt nee. Ik schuif The Cure van mijn oren en hoor hoe de chauffeur het systeem volgt en hoe de jongen zich zorgen maakt over hoe hij naar huis komt. Hij stapt uit en de bus rijdt weg. En ook hier heb ik niets gedaan. Hoe moeilijk was het geweest om even een kaartje voor hem te kopen?
Dit soort momenten zijn belangrijk. Telkens weer neem ik me voor – zonder na te denken – gewoon te handelen en vanuit je gevoel het juiste te doen. Ik ben zo niet gebouwd en opgevoed, maar impulsiviteit en empathie zijn cruciaal als we de wereld beter willen maken. Een klein stapje zetten, betekent dat we ons allemaal veiliger, prettiger en uiteindelijke vrijer kunnen voelen.
Dit artikel verscheen eerder in Kortom – het personeelsblad van het Rijksvastgoedbedrijf.
Vrouw, fles en fiets
In het bushokje zit een vrouw van een jaar of veertig. Buiten is het rond het vriespunt en naast haar staat een half lege fles gewürztraminer. Het lijkt me precies de juiste wijn voor de gelegenheid. Naast haar staat een roze damesfiets. Tergend langzaam rookt ze een sigaret.
Ik kan me een aantal dingen voorstellen. Toen haar man thuiskwam vertelde hij dat hij er klaar mee was. Dat hij al jaren een ander had, of sinds het vorige managementweekend iets met de secretaresse had gekregen. Hij had in ieder geval opties. Geen cliché is mijn gedachtewereld vreemd. Gevolg was wel dat hij aangaf dat ze iets anders moest gaan zoeken en zij was inmiddels haar vriendinnen verloren en had niet voldoende geld voor een hotel.
Het kan natuurlijk ook zijn dat ze ruzie kreeg met haar kat. Ik vind dat we vaak over katten te romantisch doen, het zijn uiteindelijk gewoon kleine tijgers die weinig mensen om zich heen dulden. Ze stond te blazen toen zij uit haar werk terugkwam. Nu even niet, dacht ze, pakte een fles uit de keuken en sloot de deur achter zich zonder de kattenbak te verversen.
En dan is er nog de optie dat ze een economische dakloze is die tijdelijk bij een goede vriendin verblijft. Haar vriendin heeft vandaag echter een date en daar wil ze deze avond ruimte voor hebben. Fysiek en qua geluid. Ze is vanaf een uur of twaalf weer welkom, want hij is niet het type dat mag blijven slapen.
Of ze zat thuis voor Netflix en bedacht zich ineens dat ze het leven zo niet voor haar gezien had, toen ze jong en veelbelovend was. Vrienden zijn weg, mannen willen alleen maar seks en blijven nooit hangen en de streamingdiensten heeft ze wel uitgekeken. Ze besluit een fles te pakken en in een drukke bushalte te gaan zitten om nog een beetje onder de mensen te komen.
Het kan allemaal en de bus rijdt verder.
Nou nou
Op een maandagochtend worden wij in een sprinter tegen elkaar gedrukt. De trein rijdt het station van de stad binnen. Je kunt aan ons alle vier zien dat we geen zin hebben om ons na het wilde weekend te schikken in de regels van de kantoortuin.
De trein is overvol en daarom staan we tegen de deur gedrukt. Een vrouw stift haar lippen, naast haar zwijgt een jongen met veel haar en tegen het klapstoeltje hangt een man van een jaar of zestig met de bril van een architect. Ikzelf wiebel wat heen en weer. Ik hou niet van stilstaan: dat is achteruitgang.
De vraag die me in deze prikkelrijke omgeving bezighoudt is: stap ik als eerste de trein uit of laat ik het aan een van hen? Het is net de slag om de ruimte. Ik vind dat ruimte geven belangrijker is dan ruimte nemen. Denk een moment aan de liefde: hoe kan je die ooit krijgen als je niets geeft? Toch heb ik mezelf nog geen half uur geleden de volle trein in geperst, ondanks dat de man met de architectenbril ‘Nou nou’ mompelde.
Forenzen duwen me in de rug en ik bedenk dat het zuur is dat individualisering ertoe leidt dat we anderen minder gunnen, in plaats van dat we er samen meer van maken.
Inmiddels remt de trein af en staan wij als pinguïns op een losgeslagen ijsschots te wiebelen tot hij schokkend tot stilstand komt. De dame trekt haar lip in een grijns en drukt kribbig op de knop, de zestiger kijkt nerveus naar buiten en de behaarde jongen zwijgt.
Zodra de deur opent, stapt de zestiger gedecideerd naar buiten, gevolgd door de jongen. De vrouw moet even bijkomen van de schouderduw die ze kreeg en stapt naar buiten. Ik schuifel haar achterna. Het perron staat vol met ongeduldig wachtende mensen. Klaar om zich de trein in te persen.
Dit artikel verscheen eerder in De Basis – het personeelsblad van de ministeries van BZK en VRO.