Ik zou spectaculairder willen zijn. Iemand willen zijn die de kunst van het leven goed beheerst, in staat is feilloos gevoelens en behoeften onder woorden te brengen en hier ook naar leeft. Iemand bij wie je er altijd van op aan kan dat hij precies weet wat hij wil en dat hij hier naar handelt.
Het klinkt simpel, maar waarom lukt het mij dan toch vaak niet? Het begint bij de basis: vaak heb ik geen idee wat ik voel en al helemaal niet waarom. Voelen is egoïstisch. En dan heb je als mens ook nog al die behoeftes van Maslov. Als ik die emoties al in beeld had, dan heb je nog zoiets als normen, waarden en dingen die je fatsoenlijk vindt. Niemand zit er op te wachten om als egoïstisch gezien te worden en ik al helemaal niet. Kortom: ik denk te veel na en kom daar niet uit.
Maar is spectaculair leven een kwestie van minder nadenken? En is het juist een kunst om gewoon tevreden te zijn met je leven, zonder te veel na te denken en ook zonder door te schieten in intuïtief gedrag? In balans ben je en als je die balans te veel corrigeert val je. Misschien is blijven zitten spectaculair genoeg.
Categorie: blog
Ode aan alcohol
De laatste tram die door de Schilderswijk in Den Haag rijdt is vrijwel leeg. Soms drink je een paar borrels, vergeet je de tijd en heb je het geluk dat je een andere route moet volgen dan je gewoon bent. Een halve coupe voor me zit een oude man ritmisch te vloeken. Het is enerzijds intimiderend, aan de andere kant geniet ik er ook van. Hij kijkt lodderig uit zijn ogen.
Hij zegt: ‘Fuck you. With your live.’ Hij kijkt naar niemand in het bijzonder, misschien wel naar zijn eigen spiegeling in de ruit. Hij gaat door: ‘Fuck everybody.’ En dan: ‘Waarom stopt die kuttram niet?’ Hij had op het rode knopje moeten drukken. De volgende halte is pas over een minuut of vijf.
We staan samen bij de deur als de trein de halte in rijdt. Hij kijkt me aan en zegt: ‘Sorry’ en lacht hard. Hij zegt: ‘Wat doe ik hier? Het is ook elke keer raak godverdomme.’ Hij stapt uit en graait onverschillig in de eerste afvalbak die hij tegenkomt.
Ik loop door naar het treinstation. Op het perron zit een stelletje. De jongen in pak heeft een arm om een meisje met een kort rood jurkje. Zijn blonde haar sprint warrig uit zijn hoofd en de dame heeft haar gitzwarte haren in een hoge paardenstaart verstopt. Ik kijk langs hen heen naar het bord met de treintijden: nog vijf minuten.
‘Natuurlijk wil ik je nog wel zien,’ zegt hij met een dubbele tong. Zij huilt en zegt ‘Fuck you’, maar blijft wel tegen hem aan zitten. Hij neemt een hap van zijn Turkse pizza en kauwt er lang op.
De laatste trein rijdt het station binnen en ik ben gelukkig. Ik ben opgelucht omdat ik de trein nog net te pakken heb gekregen. Ik ben blij omdat ik vanavond meer heb gehoord, dan ik normaliter gehoord zou hebben. En dat heb ik die avond toch echt aan alcohol te danken.
Liefhebben
Als mens moet je jezelf verdiepen in andere denkbeelden. Als je bang bent voor nieuwe inzichten, is het een kleine stap naar de valkuil van xenofobie. Daar waak ik voor. Ook al geloof je al heel je leven dat je geen tomaten lust, als je het niet af en toe probeert blijft dit ook zo. Dat is een mooie theorie, maar de praktijk is weerbarstig. Met dit in mijn achterhoofd las ik deze zomer het boek ‘Liefde in meervoud’. Dit is het handboek voor polyamorie, geschreven door Belle van Beek die zelf ook liefheeft in meervoud en hier smaakvol over vertelt.
Van nature krijg ik jeuk voor dit soort zelfhulpboeken. Er worden meestal veel te veel woorden gebruikt en dit type boeken doen me vaak denken aan de preek vroeger, in de kerk. ‘Liefde in meervoud’ is echter vooral heel wijs en sociaal intelligent. Dat is echt een verademing in deze tijd van sociale verarming. Het zit ramvol tips tips die je in je eigen leven en relaties met anderen kan gebruiken. Ik ben ervan overtuigd geraakt dat het belangrijk is (en ook moeilijk) om in je contacten naar anderen altijd open te zijn en je constant bewust te zijn van je van eigen emoties en behoeften. Het klinkt simpel maar zoals bij veel van dit soort universele waarden zit de uitdaging in de uitvoering.
En tot slot heeft het boek me op sociologisch niveau de overtuiging gegeven dat non-monogamie een logische volgende stap is in onze maatschappij. Eerst was er levenslange monogamie, toen seriële monogamie en uiteindelijk wordt dit het. Tegelijk vraagt dit van ons als mensen wel dat we meer tijd vrijmaken voor elkaar en voor het vormgeven van relaties. En hier is juist de laatste jaren een gebrek aan ontstaan. Een meerderheid van de mensen is vooral bezig met het eigen belang. Individualisering is beroepsziekte nummer een. Het zou mooi zijn als hier ooit een andere balans in komt. Dan zien we vanuit daar wel verder en kijk ik vanuit die situatie ook weer verder wat ik zelf met de punten uit het boek ga doen.
Niet delen uit angst
Hebben jullie dat nu ook? Dat wij mensen jaloezie soms als een goede emotie zien? Dat het er bij hoort dat je af en toe jaloers op elkaar bent? Sterker nog dat het nodig is om dit te zijn, omdat je anders niets om die ander geeft? Aan dit verschijnsel heb ik me eigenlijk mijn hele bewuste leven geërgerd. Alsof het goed is om een ander iets niet te gunnen.
Gelukkig kon ik onlangs een nieuw woord aan mijn vocabulaire toevoegen en dat is compersie. Dit is het tegenovergestelde van jaloezie. De definitie is: het gevoel van vreugde of blijdschap dat je ervaart wanneer je partner plezier, liefde of intimiteit deelt met iemand anders. Hij kwam langs in de film Jimpa en kort erna in de film The Invite. En ander woord is het jaliefgevoel.
Het is een term die pas in de jaren tachtig is ontstaan en is afkomstig uit de polyamorie (of zegt men dan in een adem door ethische, non-monogamie. Boeiende termen, maar dit laat ik even zitten). Dat het niet een term uit de katholieke kerk is, was me al helder, maar ik denk dat het breder toepasbaar is dan enkel in liefdesrelaties. Ik vind het begrip universeel krachtig, omdat ik me niet kan voorstellen welke redenen er zijn om jaloezie te verkiezen boven compersie. Maar zo werkt het natuurlijk niet met emoties. Jaloezie is een emotie – lees ik dan weer ergens anders – die ontstaat uit een mix van onzekerheid, angst (om iets of iemand te verliezen), verdriet en boosheid. Dit klinkt niet als iets waarvan je op een dag zegt: ik kan wel zonder. Aan de andere kant is het gevoel als je iemand anders iets gunt ook groots.
Maar laten we eens breed naar deze tegenhanger van jaloezie kijken. We zijn volgens mij als wereld collectief jaloers op elkaar. Aan de rechter kant van het politieke spectrum is men jaloers op asielzoekers, aan de linkerkant op de mensen die rijk geboren zijn of een succesvolle ondernemer zijn. We zijn daarbij vooral bang dat er niet genoeg voor onszelf is, met als effect dat de welvaart slecht verdeeld is. Als we allemaal elkaar wat zouden gunnen, dan is er genoeg voor iedereen om aan de basisbehoeften te voldoen. Maar jaloezie is die angst om te weinig te hebben, dus niemand is tevreden met zijn basis.
Maar laten we klein beginnen. Hoe vaak handel jij uit jaloezie? Of eigenlijk vanuit de angst om iets te verliezen? En kijk dan eens met het woord compersie in jet hoofd naar die situatie. Misschien is die handeling een begin van de afname van heel veel onrecht in de wereld. En hoop is een prachtige tegenhanger van angst.
Ik kan zoveel doen
Hier voel ik de wind in mijn haren en de bescheiden zon op mijn gezicht. Er was kans op nachtvorst maar later deze week zou die kans afnemen.
Als ik twee dagen met de auto goed doorrij kan ik de drones en raketten zien vallen.
Als ik drie kwartier met de trein ga kan ik zien hoe mijn zusje haar eerste chemo krijgt.
Als ik tien kilometer zou kunnen stijgen zie ik hoe honderden satelieten een nieuwe strijd uitvechten over wie in de ruimte de langste heeft.
Als ik dan naar beneden zou kijken zou ik zie hoe magisch groen de aarde is. Hoe uniek. En hoe kwestbaar.
Ik zou zoveel meer kunnen doen.
Toch sta ik hier en wacht op de bus terwijl de wind bescheiden waait en de zon mijn gezicht verwarmt.
Bedreiging
Ze keert zich ineens om, kijkt me aan en blaft: ‘Waarom loop je niet door?’ We staan samen op de stoep. Een aantal straatlantarens is uitgevallen. Dit verval van de collectiviteit zie je vaker in ons dorp waarin veel mensen rijk zijn en daarom buitensporig veel energie steken in het betalen van zo min mogelijk belasting. Ik ken de vrouw niet. Net liep ze nog voor me en was ik nog bezig een beleefde afstand aan te houden, zoals dit hoort bij vrouwen als de zon onder is.
‘Waarop loop je niet door?’ vraagt ze nog een keer aan me, terwijl ze een stap mijn richting op doet. Ik vind het intimiderend. Ze komt in mijn zone en daar heeft ze niets te zoeken. Ik bepaal wie er bij mij in de buurt komt, en tegelijk ruikt ze lekker. Haar geur is een parfum dat aangenaam gemixt is met menselijkheid en ik meen ook wat alcohol te ruiken, ik denk een stevige IPA gezien de hoppige tonen.
Ik ben bijna thuis. Ik was achter haar blijven lopen omdat als ik haar had ingehaald ik haar had moeten afsnijden om bij mijn voordeur rechtsaf te slaan. Tussen mij en mijn voordeur wacht zij op antwoord.
‘Kijk me aan.’ Erg vriendelijk vind ik haar niet, maar bang ben ik ook niet. Als ik een vrouw was zou ik misschien om me heen kijken en opties afwegen. Zou ik gillen? Ergens aanbellen? Wegrennen? Haar een tik geven?
‘Waarom?’ Ze blaf niet meer maar schreeuwt. Ik ben bang dat de buurman naar het raam komt. Dan toch maar antwoorden. ‘Ben bijna thuis.’
‘Oh. Waar woon je dan?’ Ik word moe van haar vragen. Ik heb tot laat gewerkt en ben kapot. Ik wil voor de televisie zitten en zoutloze talkshows kijken. Ik wil niet met mensen praten, dat doe ik de hele dag al.
‘Gaat je niet aan.’
‘Wel als je hiermee kan bewijzen dat je niet van plan was in het donker achter me aan te sluipen.’
‘Niet.’ Ik voel me net een kleine kleuter die bij de juf moet komen omdat hij iets doms heeft gedaan.
‘Dus?’
‘Loop door, dan kan ik naar huis.’
Ze doet een stap naar achteren en ik blijf staan. ‘Loop dan!’ roept ze. Ik zie nu pas dat ze een grijns op haar gezicht heeft. Ze maakt een handgebaar dat ik haar kant op moet komen. Ik doe een stap naar voren en zij een naar achteren.
Als ik voor mijn deur sta spring ik naar rechts, steek de sleutel in het slot, duik naar binnen en gooi de deur achter me dicht.
Buiten hoor ik haar had lachen. ‘Lafbek!’ schreeuwt ze giechelend.
Ik zit op de trap en voel mijn hart in mijn keel.
Liefs
Zou je zo met een familielid omgaan, vraag ik me vaak af als ik zie hoe mensen met elkaar omgaan. In de digitale wereld, maar ook steeds vaker op straat. Zou je zo durven denken over iemand die je liefhebt? Nee toch – maar waarom doen we dit dan wel bij mensen die we minder goed kennen?
Ik denk dan aan mensen die in een gevangenis zitten (het is hier geen hotel). Of iemand die om welke reden dan ook in Nederland een beter bestaan denkt op te bouwen (profiteur). Of aan een bekende Nederlander, zoals Joost Klein die het net allemaal anders doet (rare vent).
Afgunst is denk ik een belangrijke reden. We zijn geen gidsland meer waar afwijken van de norm inspirerend is, maar we zijn een land geworden waarbij afwijken van de norm duidt op iemand die het beter heeft dan jezelf. We zijn jaloers geworden op de vrijheid van een ander en niet blij met onze eigen verworven vrijheid.
Ook zijn we verleerd om ons oprecht te verdiepen in een ander. Op school kom je elkaar niet meer tegen. Op datingapps zoekt je direct iemand die bij je past (en niet iemand die de ongemakkelijke vragen stelt) en cultuur schaffen we af want fictie is iets van vroeger. Wij geloven lieven in de werkelijkheid dan dat we ons verdiepen in de beweegredenen van een ander.
Cynisch? Misschien. En daarom is het goed om jezelf altijd de familievraag te stellen. Die persoon waar ik nu abstract over zit na te denken en waar ik een oordeel over heb, zou ik die ook zo beoordelen als ik die persoon intens lief had? En wat is er mis om vanaf nu te doen of ik hen allemaal lief heb – tot het tegendeel is bewezen?
Impulsiviteit en empathie
Enkele weken geleden zat ik op een bankje op station Breda te wachten op mijn aansluiting. Op mijn hoofd had ik, denk ik, wat stevige muziek aanstaan. Laten we zeggen de laatste van Dream Theater. Op een gegeven moment zie ik hoe een vrouw van een jaar of twintig een bankje verderop gaat zitten. Een wat oudere smoezelige man vraagt haar wat en zij antwoordt beleefd. Even later schuift hij meer haar kant op. Aan alles kan je zien dat zij hier niets van moet hebben.
Ik laat dit gebeuren, hoewel ik echt wel weet hoe het er – ook zonder geluid – uit ziet als een vrouw niets van je moet hebben. Op een gegeven moment staat ze op en gaat ze bij een leeftijdgenoot zitten. Ze praten samen het ongemak weg.
Een paar weken later zit ik in de laatste bus. Er stapt een jongen in en hij laat zijn lege telefoon zien aan de chauffeur. De man schudt nee. Ik schuif The Cure van mijn oren en hoor hoe de chauffeur het systeem volgt en hoe de jongen zich zorgen maakt over hoe hij naar huis komt. Hij stapt uit en de bus rijdt weg. En ook hier heb ik niets gedaan. Hoe moeilijk was het geweest om even een kaartje voor hem te kopen?
Dit soort momenten zijn belangrijk. Telkens weer neem ik me voor – zonder na te denken – gewoon te handelen en vanuit je gevoel het juiste te doen. Ik ben zo niet gebouwd en opgevoed, maar impulsiviteit en empathie zijn cruciaal als we de wereld beter willen maken. Een klein stapje zetten, betekent dat we ons allemaal veiliger, prettiger en uiteindelijke vrijer kunnen voelen.
Dit artikel verscheen eerder in Kortom – het personeelsblad van het Rijksvastgoedbedrijf.
Hittestress
Ik zit op een hotel niet ver van Hamburg op een leeg terras. Het is zomer en de warmte van de gebouwen straalt op me af. Ook de tegels geven nog niet toe dat het nu echt avond is. Daar is een mooie term voor: hittestress, dit is het moment dat de hitte niet meer uit onze versteende omgeving kan ontsnappen.
Ik hou van leegte na een dag in de auto met vrouw en kinderen. Ik vind mensen interessant, maar even zo vaak ook vreselijk vermoeiend. Doordat wij een diersoort zijn die kan denken, kunnen we ook constant bezig met de consequenties van ons handelen en daardoor juist raar te ver doordacht gedrag gaan vertonen. Denk aan de eenzame man die maar niet op zoek gaat naar de liefde. Denk aan de jonge vrouw die onhandig aanspraak zoekt bij de kassa van een supermarkt omdat ze eigenlijk de man achter de kassa wil zoenen. Denk aan iedereen die niet zegt wat hij wil. Dat is menselijk en menselijk interactie is mateloos interessant.
Die avond lees ik een boek om rust te voelen. Het verhaal van een ander geeft vaak perspectief. Twee oudere mensen komen het restaurant uit, waarschijnlijk op weg naar hun kamer in het hotel. De man zegt in het Duits dat hij nog even gaat roken. Hij neemt plaats op de stoel naast me. Hij kiest niet voor de andere veertien lege stoelen.
De man praat over het weer en ik geef langs mijn boek kortaf antwoord. Hij poneert iets over klimaatverandering en iets met vroeger en de SPD, terwijl hij ondertussen met nerveuze halen zijn sigaret wegwerkt. Het stinkt. Ik stoor me aan mijn eigen intolerantie. Waarom kan ik niet tien minuten rustig aan doen en deze man een goede avond geven? Is mijn boek belangrijker dan zijn behoefte aan een praatje? Is juist het onhandige contact niet dat wat ons mens maakt?
Even later knikt hij vriendelijk en loopt weer het hotel in. Ik denk dat hij het gevoel heeft een fijn praatje gehouden te hebben met iemand die – getuige het boek – enigszins over het leven nadenkt.
Ik denk dat het goed is dat wij als mensen na kunnen denken over de consequenties van ons handelen. Ik denk dat het goed is om soms tien minuten even rekening te houden met een ander en te luisteren. Ik denk dat lezen voor ieder mens er goed is, maar af en toe een paar pagina’s minder kan geen kwaad. Stress moet je er niet van krijgen.
Zegt het gewoon
Ik zit in de metro die vroeger een trein was. Naast me zit een tweetal vrouwen met een plat Rotterdams accent de wereld te bespreken. Of beter gezegd: hun wereld. Ze stappen in bij de halte van het vliegveld dat al jaren geen Zestienhoven meer heet.
‘Luistert dan. Dan ga je er gewoon op centraal onderdoor naar het volgende spoor. Daar is geen controle.’ De dame heeft paars haar.
Haar reisgenoot zucht. ‘Ik moet er echt op Centraal uit. En ik spring niet over het poortje zoals die jonge gasten.’ Ze grinniken onbedaarlijk als pubermeisjes.
‘Rotpoortjes. Kost je 350 euro als ze je pakken las ik ergens, ik schrok me kapot. Ik heb toch niet voor niets een vijfenzestigpluspas.’
‘Serieus?’ Ik snap niet helemaal waar de paarse dame op reageert: de 350 euro of de vijfenzestigpluspas.
Ze babbelen over de flat waar ze wonen. Ze vragen zich af of je in de parkeergarage ook in plaats van een auto twee motoren mag parkeren. Henk van 43A doet dit en zijn motoren lekken soms olie.
‘Anders ga je met je pasje twee keer. Dus eerst eruit en direct weer er in.’
‘Doet ie niet.’ Ik vraag me ineens af hoe de paarse dame dit heeft geleerd.
‘Zeker?’
‘Zeker.’
‘Anders. Anders zegt het gewoon.’
‘Ja dat kan natuurlijk ook.’ Ze giechelen. Het lachen van de paarse dame gaat over in een rokerige hoestbui.
Op het centraal station stappen ze samen uit en lopen de trap op. Ik kan helaas niet meer zien of ze over de poortjes springen.