Te snel groot

Mijn dochter (9) houdt een snoepkers voor mijn gezicht. Ze pakt het groene takje tussen haar vingers en en knijpt er hard in. De kersen lijken opgeblazen te worden als een ballon.

Ze houdt de kers hoog in de lucht en zegt: ‘Wat is dit?’

‘Een dikke kont?’ buldert mijn zoon (7). Hij heeft net een driftbui gehad, maar kan weer glimlachen.

Ook mijn vrouw lacht weer en zegt: ‘Borsten?’

‘Nee nee’, zegt mijn dochter. Ze haalt even adem en zegt gedragen: ‘Dit is een zak met ballen.’ Haar adem blijft hangen in een hinnik.

Ik verslik me bijna. Ze wordt te snel groot. ‘Wat?’ zeg ik. ‘Van wie heb je dat nu weer geleerd?’

Ze blijft verstikt giechelen en ik ben bang dat ze in een slappe lach belandt. Dan zegt ze: ‘Van jou he papa.’ Ik was het alweer vergeten. Het is fijn dat de familie met een glimlach naar bed gaat.

Houdgreep

Ik haal mijn pleegzoon (6) tussentijds van school. Hij moet naar speeltherapie. Hij staat bij de kapstok met een meisje te geinen.

Het meisje kijkt me aan en vraagt: ‘Waar moet hij naartoe?’
Ik: ‘Hij heeft therapie.’
Hij: ‘Omdat ik vaak boos ben.’
Ik: ‘Is hij ook wel eens boos op jou?’
Zij: ‘Nee joh, natuurlijk niet.’
Hij: ‘Ik ben alleen boos op papa. Maar gelukkig ben ik veel sterker, ik heb hem vaak in de houdgreep.’ Hij lacht kuiltjes in zijn wangen.

Bak met deksel

Een vrouw van een meter of anderhalf loopt met een grote plastic bak de winkel in. In een hand houdt de vrouw de bak, in de andere het deksel. Ze heeft mazzel dat het niet waait. Binnen meldt ze zich bij kassa nummer 3, die ook dienst doet als servicebalie. Ze steekt een vinger op, alsof ze nog op de lagere school zit. De mensen in de rij van de kassa zuchten als de caissière de rij laat wachten om service te verlenen.

‘Hebt u een bon?’ Ze heeft een hoge stem die niet past bij haar corpulentie. Ze lijkt op een operazangers en lacht vriendelijk naar de klant.

Het vrouwtje zegt: ‘Deze bak heb ik hier gekocht. Gisteren. En hij voldoet niet.’

‘Ja, maar heeft u een bon?’

De vrouw begint in een roze portemonnee te zoeken. ‘Hij blijft niet goed dicht. Probeert u maar.’ Ze schraapt haar keel en je hoort dat ze lang heeft gerookt.

De servicecaissière probeert het uit. Ze legt de deksel op de bak, schuift een beetje en klikt de twee blauwe handgrepen vast. Dan tilt ze de bak op aan het deksel.

De caissière kucht en de vrouw kijkt op uit haar portemonnee.

‘Hoe deed u dat nou?’

De caissière zegt: ‘Gewoon even vastmaken met deze blauwe dingen hier.’ ‘Komt er nog wat van,’ roept iemand in de rij. Het is niet de eerste persoon, die houdt zijn mond. Toch kijkt de hele rij chagrijnig. Het is immers drie uur in de middag en voor je het weet is het vier uur.

Het vrouwtje zegt: ‘Ik snap het niet. Ik ben toch niet gek?’

De caissière klikt de blauwe handgrepen los en weer vast. Het mensje pakt de bak over en klikt ze los. Dan probeert ze de grepen vast de klikken, maar er komt enkel een kreun uit haar mond. ‘Het lukt niet.’

De caissière doet het nog een keer. Het lukt haar om met een vinger de handgreep dicht te klikken.

Er wil iemand aansluiten in de rij van de kassa, omdat deze lekker kort is. ‘Ga maar naar een andere kassa,’ zegt de laatste in de rij. Dan stap de eerste in de rij naar voren en pakt de plastic bak uit de handen van de caissière. Ook hij probeert nu de handgrepen dicht te klikken en het gaat makkelijk.

‘Makkie,’ zegt hij. ‘En nu wil ik betalen.’ De caissière volgt de klant naar de kassa.

De vrouw van een meter of anderhalf loopt met een grote plastic bak de winkel uit. Niemand weet of ze de bak ooit nog open heeft gekregen.

Kaas

Het is een drukke vrijdag. Op de weekmarkt heeft de biologische kaasboer het definitief gewonnen van Van Veen met zijn fabriekskaas. Daar waar mensen succes hebben, ontstaat altijd drukte, ook als het om kaas gaat. Achter de toonbank verliest men het overzicht en naast me piept er een man naar voren. Hij zegt: ‘Ik ben hoor.’
Dat is niet erg. Dit gebeurt elke dag en het valt me meestal niet eens op. Het is niet belangrijk. Ik geloof niet dat het leven iets is dat we gehaast tot ons moeten nemen, daar ga je maar van boeren. Maar zoals dat gaat met rust, er is altijd wel iemand die het komt verstoren. Een man achter me zegt: ‘Ik heb vroeger op de markt gewerkt en pik ze er zo tussenuit.’ Ik denk dat ik hem er ook uit zou hebben gepikt. De voordringer is het type dat geleerd heeft om niet naar iedereen te luisteren, maar om te zorgen dat er draagvlak is als hij met een idee komt. Je ziet het aan zijn dominante bril denk ik.
De gepensioneerde man gaat door: ‘Je kan beter rechts gaan staan. Die zien ze nooit over het hoofd.’ Ik ben hier voor kaas. Een pond belegen en een pond jonge komijn. Meer niet. Dan vraagt een jongen  vanachter de kassa helemaal rechts: ‘Wie is er aan de beurt?’
‘Ja, ik ben!’ zeg ik. Ik breng het te snel, te hard en met te weinig autoriteit om niet als voordringer over te komen. De oude man achter me kucht bemoedigend en ik bestel.
‘Wie was er dan?’ vraagt een meisje aan de linker kant van de wagen. Een vrouw zegt dat ze denkt dat zij aan de beurt is, maar dat ze nauwelijks iets meer durft te zeggen. Zij heeft namelijk wel de tijd en vindt het echt niet belangrijk wie er aan de beurt is.

Snuffie

Wij hadden thuis geen dieren. Ik loop met een stijf konijn op de spade naar de groene bak. Haar zusje loopt rondjes in de ren. Ze was nog te jong en gisteren liep ze nog vrolijk rond. Het is erg heet. Ik zie dat er veel dodelijke vliegen in de tuin zijn. Zouden we het hok vaak genoeg schoon hebben gemaakt? Hadden we haar niet moeten inenten tegen iets?

Dadelijk komt mijn dochter (7) thuis van een vakantietrip. Het konijn van mijn zoon leeft nog. Ik weet niet hoe dat is, een kind zijn en een dood huisdier hebben. Ze zal wel huilen. Ik hoop dat ze in een konijnenhemel gelooft.