Dus ik sprak

Op kantoor liep ik nietsvermoedend de lift in, haastig omdat ik een kwartier had om in het centrum een broodje te regelen. Zoals vaker in het leven kwam de verbazing voor de walging. De analyse was snel gemaakt: kort voor mij had iemand een stinkende wind in deze lift losgelaten. Mijn weerzin weerhield mij er zelfs van om na te denken over hoe dit geklonken moet hebben, dat kwam later pas. Voor het gemak ging ik er vanuit dat iemand vanuit een diepe gene tot deze daad was gekomen.

Gelukkig hoefde ik maar vier verdiepingen af te dalen. Beneden zette ik direct een stevige stap naar buiten en zoog ik mijn longen vol verse lucht.

Een vrouw op hoge hakken kwam op me afgelopen: rode lippen en een leidinggevende tred. Ik heb ze niet vaak, maar dit was een moment waarop ik blij was met alle cursussen waar ik mijn werkende leven mee ben doodgegooid. Die cursussen die helpen om dingen te zeggen, ook als dit op het moment zelf vreselijk voelt.
Dus ik sprak: ‘Ik zou er niet in lopen als ik u was.’
Ze keek me verwonderd aan.
‘Er heeft net iemand een ontzettend smerige wind gelaten in de lift. En ik was het niet.’
Ik heb haar gezichtsuitdrukking niet gezien omdat ik een broodje nodig had.

Tien minuten later kwam ik terug en rook de hal naar dennenlucht. De leidinggevende had haar werk gedaan.

Vijfsecondenregel

Het is zondagavond en een man loopt de bioscoopzaal uit. Ik heb bij hem in de zaal net de nieuwe James Bond gezien. Hij leegt een lullig klein zakje met een tiental M&Mā€™s in zijn hand en laat ze in een worp in zijn keelgat glijden. De man heeft een postuur alsof hij beter de goede vetten uit een haring naar binnen had kunnen laten glijden, maar laten we mensen niet op hun uiterlijk beoordelen.
De man kijkt betrapt om zich heen. Hij kijkt alsof hij stiekem met zijn vingers achter de beha-band van een minderjarige kassiĆØre heeft gezeten en hier met een klungelige beweging het haakje van heeft losgewrikt. Hij kijk alsof hij met zijn SUV op een woensdagmiddag door een speeltuin met kinderen is gereden. Hij kijkt alsof hij netjes voor 9.00 uur op zijn werk heeft ingeklokt, zich heeft opgedraaid en bij de Turkse bakker om de hoek een kapsalon naar binnen heeft getikt.
Dan blijkt hij toch niet alle snoepjes in een keer naar binnen gekegeld te hebben. Ze vallen uit zijn hand op de betonnen tegels van dertig bij dertig. Verrassend soepel zakt hij door zijn knieĆ«n en raapt hij de M&Mā€™s op. Hij werpt ze wederom met elegantie in zijn keelgat. Hij glimlacht, kijkt me aan en zegt: ā€˜Vijfsecondenregelā€™.

Niet meer bellen

ā€˜Ik wil dat je me niet meer belt. Beloof je dat?ā€™ Hij kijkt op van zijn nagelknipper. De rode striemen op zijn rug jeuken. Hij laat de nagels op de grond vallen, het is toch maar een hotel.

ā€˜Beloof je dat?ā€™ Ze doet niet eens haar best om het verleidelijk te laten klinken, daarvoor is het te laat. Ze gaat altijd drammen als ze na Ć©Ć©n poging haar zin niet krijgt. Ze wil de regie houden, net als thuis bij haar man en drie kinderen. Langer dan een uur houdt hij het niet uit. Ze loopt nu al minstens een kwartier te mekkeren dat hij haar niet meer mag bellen.

ā€˜Appen dan?ā€™ Hij lacht breed zodat de kuiltjes in zijn wangen goed tot hun recht komen. Het is niet fijn als zij macht heeft. Onzeker is ze aantrekkelijker.

Ze reageert nukkig. Ze vindt het geen geschikt moment om grappen te maken.

ā€˜Ik ben beter in grappen maken dan in niet bellen.ā€™ Kuiltjes maar weer. Hij is in een prima bui, dit zijn de momenten in de week dat hij voelt dat het leven zin heeft. Dit zijn perfecte momenten om grappen te maken.

ā€˜Niet meer bellen! Dat zeg ik niet zomaar.ā€™ Ze hebben elkaar nooit in de humor kunnen vinden. Ze leven in het moment, maar die momenten vallen maar korte tijd voor hen allebei samen.

Hij kijkt naar zijn tenen maar heeft vandaag geen zin om het gevecht lang te laten duren. Hij zegt: ā€˜Beloofd. Ik ga je niet meer bellen. Ze knikt, pakt haar handtas op en loopt zonder een kus te geven de hotelkamer uit.

Het is natuurlijk allemaal onzin. Hij gaat over wat hij doet, en zij over wat zij doet. Hij mag vragen wat hij wil, zij moet maar leren om nee te zeggen. En daar is ze nog steeds niet echt goed in.

Excuusbiertje en een bilnaad

Het was donderdag 14 oktober 2021 en het mocht weer. Ik stond die avond in het Paard (dat al lang niet meer van Troje was) in Den Haag. We hadden nog bescherming door een QR-code en het was erg vol. Ik liep helemaal naar boven tot het tweede balkon, omdat ik dacht de drukte te kunnen ontwijken. Ook daar stonden de mensen echter rijen dik. Hoewel deze mensenmassa me in een bepaalde mate opwond, koos ik ervoor om met een excuusbiertje tegen de muur geleund te gaan staan.

Op het podium stond Ilse de Lange. Haar concert was twee keer uitgesteld en mijn vrienden hadden inmiddels andere afspraken. Tijdens de opleving tussen twee golven was het namelijk ineens intens druk geworden. Het enige voordeel van Corona, namelijk de afname van verplichtingen, was na twee dagen al weer verdwenen.

Op de rij voor mij stonden houten bankjes. Mensen gingen hier op staan om Ilse goed te zien en ik moest tussen hen door kijken. Ik voelde mij die avond zoals die kleine mensjes die altijd mopperend achter mij stonden bij concerten. Voor me bevond zich een vrouw van midden vijftig. Bij haar was de onderbroek blijkbaar in de bilnaad geschoten en ze trok hem er met een gedecideerde vingerbeweging weer uit. Hoewel de muziek luid was en ik gehoorbescherming in had, hoorde ik de string kletsen tegen haar huid.

Ilse was een paar nummers onderweg en het gevoel overviel me dat ik ook heb als ik in Almelo, de stad van mijn jeugd, ben. Haar muziek zit erg goed in elkaar, maar het is allemaal vreselijk braaf. Het mist het randje en de directheid die voor mij muziek interessant maakt. Ik hou niet van dat subtiele, maar bij Ilse is alles is netjes, correct, doordacht en gebalanceerd.

Nou wil ik niet zeggen dat Almelo gebalanceerd is (daarvoor is het stedenbouwkundig te veel mishandeld), maar veel Almeloƫrs doen wel hun best om gebalanceerd over te komen. In Twente vertellen mensen pas de waarheid als ze dronken zijn. Nu ik in de Randstad woon ben ik de directheid (met al zijn nadelen) gaan waarderen. Als je iets op je lever hebt: zeg het dan gewoon.

Ondanks dat het concert van Ilse de Lange me tegenviel, mis ik toch het gevoel om naĆÆef in de dampende massa op te gaan. Ik kan me nog herinneren dat ik niet zo lang geleden (ja dat is het dus wel, maar dat vergeten we even) in hetzelfde Paard op de muziek van Franz Ferdinand dwars door de massa aan het springen was. Niets 1,5 meter. Niets omicron en spuitjes. Wat een tijd is dat toch. Laten we er snel weer naar terugkeren.

Geduld

Mijn pleegkind heeft in het begin van zijn leven geleerd dat wij als volwassenen niet te vertrouwen zijn. Dit vertrouwen krijgen wij pas heel langzaam terug. Hij en wij gaan een groot deel van zijn en ons leven last hebben van wat andere volwassenen hem hebben aangedaan.

Het woord aangedaan klinkt misschien zwaar, toch past het want wij waren er niet toen dat wel nodig is. Er is een reden waarom de meest kind-hatende mensen zorgzaam worden als ze een baby zien. Zorgen wij als volwassenen – om wat voor reden dan ook – niet voor een baby dan gaat er iets goed fout.

Volwassenen zijn niet te vertrouwen en dat krijgen alle volwassenen die hij nu ontmoet keihard terug. Allemaal zullen we heel lang de tijd moet nemen om zijn vertrouwen te krijgen. De voetbaltrainer, de zwemjuf, de juf en meester in de klas. De opgave is niet groot. We moeten wachten tot hij rustig wordt en zichzelf kan zijn.

Ik hoor wel eens dat dit niet normaal is. Dat het niet werkbaar is als een kind de hele tijd langs de kant van het veld staat of weigert om het water in het gaan. Soms doet hij dit een of twee lessen, maar ook wel eens een half jaar. Ons systeem werkt zo niet, we hebben ons hele leven zo ingericht alsof we het hebben over de optimalisatie van het productieproces van een auto. Alsof zorg en onderwijs een lopende band zijn die altijd op hetzelfde tempo draait. De term wachtlijst alleen al. Het budget staat centraal en tijd is geld.

Jammer dan, denk ik. Dat hadden we eerder moeten bedenken. Wij waren het als volwassenen die niet voor hem zorgden. Wij waren het die vergaten hem eten te geven. Bij ons was hij niet veilig. Natuurlijk was een goede knuffel en en een boterham op zijn tijd voor iedereen beter geweest, maar dat is niet gebeurd en hij kan hier niets aan doen. Wij wel.

Wat overblijft is niets dan geduld. We draaien de band lekker op het tempo dat hij aangeeft, en dan komt het allemaal helemaal goed. Stapje voor stapje haalt hij uiteindelijk iedereen in.

De taal is onschuldig

Er worden woorden van me afgenomen en daar baal ik van. Woorden mogen niet meer gebruikt worden omdat ze besmet zijn. Ze verdwijnen uit beeld omdat mensen er beelden bij hebben die hen kwetsen. Ik snap die gevoelens, maar de woorden kunnen hier niets aan doen. De taal is onschuldig en moet verdedigd worden.

Ik hou er van om woorden te gebruiken die iets oproepen en wat dit is kan verschillen per ontvanger. Ik weet nog dat ik tijdens een poƫzieles leerde dat het woord rood het beeld van liefde en warmte op kan roepen, maar ook van bloed en daarmee de dood. Het hangt er maar net vanaf welke woordbeeld iemand er bij heeft.

Een inspiratiebron in de zoektocht naar taalrijkdom is voor mij het ‘Woordenboek van het Algemeen Onbeschaafd Nederlands’ dat Ronald Giphart heeft samengesteld. Hierin staan scheldwoorden als eigenpijperij, oelewapper en vestzakneukertje gebroederlijk naast elkaar. Het is een ode aan de rijkdom van onze taal en vooral ook de creativiteit van de gebruikers ervan. Dat is toch fantastisch?

Nou zijn we natuurlijk steeds saaier aan het worden. Je merkt dat daardoor de politieke correctheid de taal doorsnijdt en littekens achter laat. Het niet kwetsen van anderen is belangrijker dan het geven van een zinnige opinie. Een simpel voorbeeld is het woord ‘nigger’ in Amerika. Je mag het woord niet gebruiken (als wit persoon) of je raakt je baan als voetbalcoach kwijt. In Nederland is het met het woord ‘neger’ niet anders. Dit is natuurlijk symptoombestrijding en leidt af van het echte probleem. Het gaat niet om welk woord je gebruikt, maar om de intentie waarmee je het uitspreekt. Vaak is een woord een tijd met de verkeerde bedoeling gebruikt en gaat het daarna de prullenbak in. Prettig: dan hoeven we het er niet meer over te hebben.

Laat ik een andere woord pakken: dame. Je kan dat gebruiken met de intentie van respect: dat is een echte dame, maar je kan hem ook erg seksistisch gebruiken: ‘Dames: hou eens op met dat hysterische gekwebbel.’ Laten we het woord niet afdanken door de valse manier waarmee mensen er mee omspringen.

Bij alles wat ik over dit onderwerp schrijf loop ik op eieren. En dat terwijl ik het belangrijk vind om juist constant mezelf te confronteren met mijn eigen vooroordelen en onzuivere gedachten. Want – daar moeten we eerlijk in zijn – iedereen heeft gedachten die discriminerend, seksistisch of kwetsend voor anderen kunnen zijn. De extraverten uitten ze, de introverten denken ze. Dat is menselijk. Wie zegt ze niet te hebben moeten we wantrouwen.

De taal is onschuldig en kan zich niet verdedigen. Er verdwijnen nu met enige regelmaat woorden in de doofpot. Denk aan ‘neger’, ‘homo’, ‘flikker’, ‘slet’ en ga zo maar door. Je kan de woorden niet meer gebruiken zonder dat daardoor het beeld op je afstraalt dat je een fout persoon bent. Dat je onzuivere gedachten hebt waar via een woke-beweging strijd tegen nodig is.

Dat taal vaak gebruikt wordt om mensen pijn te doen is zonde. Dat mensen gekwetst worden is zonde. Dat mensen elkaar pijn willen doen is zonde. Maar dat er daardoor woorden verdwijnen uit onze taal en het echte gesprek stopt, dan is een drama.

Geef mij maar chloor

Er was eens een trein in het oosten van het land. Ik stapte in en dacht al: ‘Oei. Het zijn wel veel mensen.’ Maar wanneer is veel, te veel? De spits was net voorbij, dus het zal voor mensen met een bepaalde kaart bij de NS wel gunstig zijn, dacht ik.

Toen we wegreden drong het tot me door dat de trein echt helemaal vol was. Ik stond met mijn mondkapje tegen het raam geperst en tuurde naar de schone buitenlucht. Er kwam een trein langsrijden met de naam ā€œRelus ter Beekā€ en ik was niet eens in Drenthe. Om me heen stonden studenten. Ik bedacht me dat die groep maar voor twintig procent was ingeĆ«nt. Het was die groep die leefde bij de gratie van het warme contact met de medemens. Zij hadden de mooiste tijd van hun leven nog voor zich en ik had twee prikken in mijn arm. Maar ik las ook ergens dat dit goedje steeds minder werkt als het ding langer in je arm zit. De trein voelde vies als een natuurzwembad aan het einde van een warme zomer. Geef mij maar chloor.

De conducteur zei sorry en vroeg mensen om toch echt hun tas van de stoelen te halen. Net als vroeger, maar toen was die tas nog lullig en geen lijfsbehoud. De twintigers om me heen zuchtten. Ze vroegen aan elkaar: gaan die mensen er de volgende halte uit of wachten ze op een zitplek? Ik had geen idee. Ik wist wel dat ik een boek mee had en bij de volgende stop zou uitstappen. En ik las nog lang en gelukkig.

Het uitdeuken van een Ferrari

Mijn zoon heeft behoefte aan afstand en fietst tien meter voor me uit. Dat is prima, want hij kan met zijn zeven jaar prima fietsen. Hij fietst minder goed als hij boos is.
Ik zwijg als hij tergend langzaam langs een rode Ferrari 458 waggelt. Op dat moment schiet de vraag door mijn hoofd of het uitdeuken van een Ferrari net zo duur is als het oplappen van mijn Peugeotje. Stiekem hoop ik dat het verschil tussen arm en rijk genivelleerd wordt in het onderhoud van autoā€™s, maar het zal wel niet. Misschien is het wel een geleasede Ferrari met bijtelling omdat de startmotor op elektriciteit werkt.
Mijn zoon fietst door zonder de auto aan te raken, hij stuurt wel onbewust naar rechts omdat de rode auto zijn aandacht trekt. Op tijd kijkt hij weer naar voren: de volgende hindernis is een Volvo.

Van spanning gevouwen handen

Vanuit mijn raam zie ik een jongetje van een jaar of vier op een fietsje over de stoep racen. Tien seconden later volgt een grootvader die poogt te joggen. Aan alles zie je dat mannen dat in zijn tijd niet deden: hardlopen voor de lol. Ongeveer een minuut later komt oma langs. Ze waggelt en knijpt een bal plat onder haar linkerarm.

Ik heb gisteren de premier horen spreken met zijn van spanning gevouwen handen en ik heb nog eens gehoord hoe serieus het allemaal is. Er is een virus waar de ziekenhuizen vol door liggen. Ik hoor mensen mopperen over maatregelen, en een beetje over het psychisch welzijn. Ik zie hoe een vergelijking wordt gemaakt als dit goed uitkomt: als zij mogen dan ik ook. Ik zie hoe vaak wordt gezwegen als het minder goed uitkomt.

Het is raar hoe weinig mensen gelukkig worden van een economie die stil staat. Van het gegeven dat we niets meer hoeven, omdat het toch geen zin heeft, zie ik bijna niemand plezier hebben. Mensen worden er vooral arm en chagrijnig door.

Aan de overkant stopt een vrachtwagen van een groothandel in kantoorartikelen. De chauffeur laadt een grote doos uit, ik gok dat er een bureaustoel in zit. Op de doos liggen twee pakken met A4 printerpapier. Ik moet werken, maar zou willen dat het jongetje weer langs kwam racen. Zijn grootouders moet hij toch zo langzamerhand wel afgeschud hebben.Ā 

Mijn dochter leest

Mijn dochter van negen heeft Google ontdekt. Dat is mooi want ze kan nu via Google Earth haar grootouders in Duitsland bezoeken. Ook leest ze mijn blogs. Ze vindt ze grappig, zegt ze en is trots. Ze vraagt waarom haar foto niet verschijnt als ze zoekt op “dochter van Joost van Hoek”.

Nou hou ik van schrijven, maar niet van gelezen worden. Het schrijven is dus een stuk lastiger geworden sinds ik weet dat zij het leest. Maar ik kan nu eenmaal niet zonder, dus ik zit hier weer.

Tot nu toe had ik jou als lezer nooit in beeld. Alleen dit al: schrijf ik voor een je of voor een u? Beleefdheid is een slap excuus om echte confrontaties uit de weg te gaan, dus ik ga voor je. En dan zie ik jou voor me, terwijl je met een kop thee naast je verveeld een hard stukje uit je neus peutert. En nu ben je beledigd en klikt dit stukje weg. Beleefd zijn is een, beledigen een ander.

Misschien is dit ook wel wat mij – naast praktische bezwaren – weerhoudt van het maken van de stap naar het echte schrijven; het schrijven van iets groots en het overtuigen van uitgevers. Het moment dat het boek uitgekomen is en een recensent als Arie Storm het boek door de literaire wringer haalt. Of erger nog: je familie. Dat mensen zeggen: ‘Ja hij kan wel schrijven. Maar.’ Of ‘Het is wel grappig, maar schrijven kan hij niet.’

Zo heb ik er ook een hekel aan als iemand over mijn schouder mee zou kunnen kijken als ik schrijf. Laat er vooral een psychologische analyse op los, maar het is gewoon lafheid. De makkelijke weg is om een blogje bij te houden, niet te veel lezers te trekken en het daar bij te houden. Ik schrijf wat ik wil en hoor bijna nooit iets terug.

Maar nu zit ik met mijn dochter van negen die mijn verhalen leest. Ineens ben ik bang om het over pijnlijke zaken te hebben, terwijl dat de kern van schrijven is. Daar waar anderen wegkijken, blijven wij als schrijvers staren. Voor jou, zodat jij bij een kop thee emotioneel kan worden van mijn verhaal. En ik moet dan blijven kijken hoe jij wel tien pogingen nodig hebt om dat harde stukje snot uit je neus te krijgen. De kleur doet vermoeden dat je een paar dagen geleden een lichte bloeding in je neus hebt gehad. Nee, zeg ik tegen je, plak het niet onder het salontafeltje, maar jij luister niet.